Inleiding
De Integratieve Wetenschappelijke Methode is een wetenschappelijke
manier om kennis te vergaren, vooral in die kennisgebieden waar (nog)
niet (gemakkelijk) kan gemeten, berekend en geëxperimenteerd. Ze
onderscheidt zich van de exacte wetenschappelijke methode, die enkel
bruikbaar is in gebieden waar wel gemeten, berekend en geëxperimenteerd
worden.
Het is een klassieke denkfout te veronderstellen dat enkel de exacte
methode betrouwbaar is en dus onvoorwaardelijk moet toegepast worden in
alle kennisgebieden, zonder dewelke zij niet betrouwbaar zouden zijn.
In feite is de exacte methode enkel toepasseijk in de
bêta-wetenschappen, en niet in de alfa- en gammawetenschappen, en
eigenlijk ook niet in de wiskunde, die evenmin een empirische
wetenschap is.
Het basis-stramien van de exacte en de integratieve wetenschappen is in
feite hetzelfde:
1. Doe een reeks waarnemingen
2. Genereer één of enkele hypothesen ter verklaring
van die waarnemingen
3. Onderzoek of die hypothesen betrouwbaar zijn
Met “waarnemingen” wordt meestal bedoeld: “waargenomen verbanden tussen
verschijnselen”.
In beide methodes wordt de hypothese onbewust gegenereerd door de
hersenen, als een ”inval”. Dit is een beetje storend voor de aanhangers
van de exacte wetenschappen, die hun methode graag beschouwen als het
ultieme wapen tegen obscure en onbetrouwbare vormen van denken, maar
die voor hun belangrijkste denkstap, het genereren van een nieuwe
hypothese, weer volledig afhankelijk zijn van het onbewuste, met alle
obscure krachten die hierop inwerken. De reden ligt in het feit dat het
ontwikkelen van een nieuwe hypothese een vorm van inductief denken is,
waarvan de logica nog steeds niet is ontwikkeld. Het
betrouwbaarheidsonderzoek van de exacte methode verloopt daarentegen
wel volgens de deductieve logica (waaronder de wiskunde), die wij al
vele eeuwen beheersen.
Het verschil tussen beide methodes zit enkel in het derde punt: het
betrouwbaarheidsonderzoek. De bedoeling is na te gaan of de
voorgestelde hypothese algemeengeldend is, d.w.z. juist en dus
betrouwbaar. Strikt genomen zou men in alle mogelijke toepassingen
moeten nagaan of de hypothese juist is. Dit is uiteraard niet
praktisch. Daarom gebruiken beide methodes een truc om de bewijsvoering
zowel haalbaar als zo plausibel mogelijk te maken.
De truc van de exacte wetenschappelijke methode is de metingen, de erop
gebaseerde (berekende) voorspellingen en de verificatie (met eventueel
de falsificatie) zo exact mogelijk te maken, d.w.z. de metingen en
berekeningen zo nauwkeurig mogelijk te maken, dus met zoveel mogelijk
cijfers achter de komma, waardoor onnauwkeurigheden veel sneller worden
opgespoord. Op die manier wordt het betrouwbaarheidsonderzoek (de
“bewijsvoering”) enorm vereenvoudigd. De prijs die hiervoor betaald
wordt is dat de methode maar toepasselijk is voor eenvoudige, meetbare
natuurverschijnselen en erop toegepaste technieken, en niet bv voor
menswetenschappen. Ook sluit het geen (grove) vergissingen uit. Bv
Newton, nochtans één der grondleggers van de exacte wetenschappelijke
methode, was zeer onnaukeurig in zijn “universele” natuurwetten, die
enkel bleken op te gaan voor relatief grote voorwerpen aan relatief
lage snelheden. Einstein was nodig om Newtons formules te corrigeren.
Een maner om het toepassingsgebied uit te breiden is nieuwe
toepassingen (experimenten) te realiseren die nog niet bestaan, om te
zien of de hypothesen daar ook opgaan.
De truc van de integratieve wetenschapelijke methode is dat zij ervan
uitgaat dat in de verschillende onbewust gegenereerde hypothesen van
mensen die met de waarnemingen betrokken zijn, er een kern van waarheid
zit, met waarschijnlijk telkens echter een onnauwkeurige omtrek. Dit
laatste wordt veroorzaakt door het feit dat bijna niemand over
voldoende gediversifieerde ervaring beschikt om alle toepassingen van
de hypothese te hebben kunnen observeren. De hypothese die hij heeft
gegenereerd zal dus wellicht enkel bruikbaar zijn binnen zijn beperkt
waarnemingsveld, of omgekeerd, te ruim toepasselijk zijn bij gebrek aan
waarnemingen die op deze beperktheid zouden kunnen wijzen. Mocht men
dus kunnen bepalen wat de juiste kern is van een reeks uiteenlopende
hypothesen die binnen gevarieerde toepassingen en waarnemingsvelden van
hetzelfde fenomeen gegenereerd zijn, dan zou deze “eenheidshypothese”
een veel hogere plausibiliteit hebben dan elke hypothese die binnen een
beperkt waarnemingsveld juist schijnt te zijn. Dat is nu precies wat
“integratie” doet: een herformulering der samengebrachte “partiële”
theorieën en hypothesen, zodat de “integratieve hypothese” de hoogst
mogelijke waarschijnlijkheid op juistheid heeft, omdat ze met “alles”
(wat beschikbaar is aan waarneming) rekening houdt.
Het probleem van de betrouwbare kern en de onbetrouwbare omtrek van een
hypothese is overigens niet typisch voor de integratieve wetenschap.
Newton heeft precies hetzelfde probleem gehad, omdat hij enkel
oordeelde vanuit bewegende voorwerpen van ons dagelijks leven, maar
geen weet had van zich supersnel bewegende lichtpartikels en andere
elementaire deeltjes. Zijn hypotheses waren dus veel minder algemeen
toepasselijk dan hij dacht, en dus onnauwkeurig.
Daarenboven biedt de integratieve wetenschap een methode aan om het
mysterieuze verschijnsel der onbewust gegenereerde hypothese te
verklaren. Ze gebruikt namelijk een methode (de integratie) die dicht
bij dat onbewuste genereren aanleunt. Eigenlijk is een spontaan
voorgestelde hypothese –ook een exacte- telkens een intuïtieve
integratie tussen diverse mogelijkheden. De integratieve wetenschap
bestudeert dit integratiefenomeen van zo nabij als mogelijk, en is
daardoor al veel meer dan de exacte wetenschap in staat om gewild
hypotheses te genereren. In die zin is integreren een stap dichter bij
de ontwikkeling van die nog steeds mysterieuze inductieve logica.
Het integratief betrouwbaarheidsonderzoek
Hoe verloopt in praktijk de integratieve wetenschappelijke methode?
Het (1) doen van waarnemingen en het (2) genereren van hypothesen is
hetzelfde als bij de exacte methode. Hoewel een zo groot mogelijke
nauwkeurigheid wenselijk is, zal deze, door de aard der waargenomen
verschijnselen, uiteraard veel beperkter zijn, veel kwalitatiever dan
kwantitatief.
Het eigenlijke betrouwbaarheidsonderzoek is veel complexer dan bij de
exacte wetenschap. Het verloopt daarom ook eerder cyclisch of
spiraalvormig, analoog met de “empirische cyclus” uit de exacte
wetenschappen. Daarenboven is de vraag niet of een voorgestelde
hypothese juist is of onjuist (falsificatie), maar wel in welke mate
zij geen aanvaardbare integratie schijnt te bieden voor de
aangebrachten toepassingen, en dus eventueel moet bijgesteld worden.
Methodes om beter aan te voelen wanneer en hoe de integratieve
hypothese moet bijgesteld worden:
1. [al] alle
mogelijke theorieën die op het fenomeen betrekking hebben erbij halen.
Een integratieve wetenschapsvoering mag geen selectie maken tussen
theorieën, want het zijn wellicht de moeilijkst te integreren visies
die de meest nuttige informatie kunnen bijbrengen.
2. [fu] Niet
alleen de gegevens binnen de wetenschap, maar ook de gegevens van fundamentelere
wetenschappen (bv. algemene systeemtheorie, evolutieleer) moeten
betrokken worden bij de integratiepogingen.
3. [ni]
Daarenboven moet men zich –in de menswetenschappen- niet beperken tot
de visies die zichzelf wetenschappelijk noemen. Niet-wetenschappelijke
visies, zowel literatuur, godsdiensten, filosofieën over de mens, als
“volkswijsheid” kunnen heel interessante gegevens opleveren.
4.
[co] Naast de “aanverwante” partiële theorieën is een uitstekend
referentiekader het steeds groeiende corpus van integratieve
inzichten. Enerzijds moeten nieuwe integratieve hypothesen dit corpus
waar nodig bijwerken, nuanceren en eventueel herschikken, en anderzijds
moeten de nieuwe hypothesen netjes passen binnen dit corpus. Men kan
zelfs stellen dat het verwerven van een logische plaats binnen dit
corpus bijna bewijskracht levert voor de juistheid van de voorgestelde
nieuwe theorie.
5.
[re] Een indirect bewijs –dat alle essentiële elementen van een
partiële theorie zijn meegenomen in de integratieve- kan geleverd
worden door een reductie van de integratieve theorie tot de
partiële. Door het schrappen van niet van toepassing zijnde elementen
of toevoegen van lokale gegevens kan men de integratieve theorie
zodanig herformuleren dat men de partiële terugkrijgt.
Naar deze 5 methodes
wordt mnemotechnisch verwezen door het acronym alfunicore.
Hoe meer men van
bovenstaande 5 technieken aanwendt, hoe groter de plausibiliteit zal
zijn van de ontwikkelde theorie, die zelfs soms plausibeler kan zijn
dan theorieën uitgewerkt met de exacte wetenschappelijke methode, zeker
als er exacte theorieën als partieel uitgangspunt worden gebruikt.
Het integratief moment
Evenzeer als bij de exacte wetenschappelijke methode blijft men
afhankelijk van het onvoorspelbaar moment, waarop een denker een betere
hypothese door inituïtie aanvoelt en verwoordt.
In het integratieve denken is de kans op het “vinden” van een hypothese
echter groter. Men kan weliswaar niet via logisch denken een hypothese
formuleren (een inductieve logica moet nog uitgevonden worden), maar
men kan de kans dat deze “spontaan” uit het onbewuste opstijgt naar het
bewuste enorm bevorderen, vooral door zoveel mogelijk analogieën te
vergaren. Zowel (1) het naast elkaar stellen van partiële theorieën,
die onverzoenbaar lijken maar elk hoogstwaarschijnlijk een kern van
waarheid bevatten, als (2) het refereren naar dieper liggende, nog
algemenere theorieën en categorieën (zoals algemene systeemtheorie),
levert zeer veel inspiratie op zodat de kans op het “toevallig vinden”
van een nieuwe hypothese enorm bevorderd wordt.
Vormvereisten voor een integratieve
wetenschappelijke publicatie
Gepubliceerde artikels volgens de exacte wetenschappelijke methode zien
er gans anders uit dan deze volgens de integratieve. De stijl van de
ene beantwoordt daarbij niet aan de vormvereisten, noch aan de
wetenschappelijke criteria van de ander.
In de exacte wetenschap kunnen vrij korte artikels (één of enkele
tientallen bladzijden) volstaan. De bewijsvoering kan immers beperkt
worden tot het aantonen dat de voorspelde waarden voor een experiment
dezelfde zijn als de waargenomen waarden. Verder geven talrijke
verwijzingen aan dat anderen hetzelfde waargenomen of geformuleerd
hebben.
Integratieve wetenschappelijke publicaties zien er gans anders uit.
Eigenlijk verwijzen zij steeds naar een grotere context, en
uiteindelijk een corpus waarin de algemenere hypothesen en de
concretere toepassingshypothesen aangegeven zijn. Een integratieve
wetenschappelijke publicatie is in feite steeds een voorstel tot het
vervangen van een stuk tekst uit dat corpus door een meer integratief.
Niet zelden zullen, ter gelegenheid van zo’n “verbetering”, ook andere
passages uit het corpus moeten aangepast worden. Daarenboven vormen de
zinvolle referenties naar andere elementen uit dat corpus de meest
“bewijskrachtige” argumenten voor integratieve theorieën. De
bewijskracht zit in de inwendige logische consistentie die verderbouwt
op andere, algemenere wetenschappen, zoals de algemene systeemtheorie,
en in het leiden tot de voorspelbaarheid der op de theorie steunende
toepassingen. Meer nog, de kritische lezers van integratieve theorieën
zijn wellicht niet in staat om geïsoleerde stukjes te beoordelen, maar
moeten grote delen van, zo niet gans het corpus in ogenschouw nemen.
M.a.w. zonder te refereren naar zo’n corpus zijn er geen integratieve
publicaties mogelijk.
Academische Integratieve Wetenschapsvoering
Universitaire faculteiten, en op universitair personeel en materiële
steun draaiende wetenschappelijke verenigingen zullen het niet
gemakkelijk hebben de integratieve wetenschappelijke methode in te
voeren. De vrees bestaat dat ze door een jarenlange krampachtige poging
om de exacte wetenschappelijke methodes na te doen, om zichzelf een
eerbaarder “wetenschappelijk” statuut te geven en niet als pseudo-
wetenschap bestempeld te worden. Zowel hun uitgebouwde structuren als
werkmethodes zijn volledig geënt op de exacte wetenschappen.
Onvermijdelijk zijn ook de medewerkers op basis van deze criteria
geselecteerd. En dat is jammer. Want in de exacte wetenschap is de
beste aanpak om steeds meer te weten over een steeds kleiner
specialistisch kennisgebied, terwijl het in de integratieve wetenschap
een groot voordeel is om beslagen te zijn om zoveel mogelijk
uiteenlopende gebieden, die uiteraard ergens iets met elkaar gemeen
hebben.
Een illustratie van deze academische stroefheid isa dat de groostte
aanwinst van de psychologie in de twintigste eeuw, namelijk de
psychotherapeutische methodes, meer dan 20 jaar door de psychologische
faculteiten laatdunkend genegeerd zijn. Pas veel later kwamen ze in het
academsiche aandachtsveld, en dan nog zeer sporadischm waarbij de
gedragstherapie, die door een paar meetbare aspecten de academische
voorkeur genoot, hoewel die op dat ogenblik wetenschappelijk al geen
vooruitgang meer boekte.
Voorlopers van de integratieve methode
De exacte wetenschappelijke methode kwam tot intwikkeling rond de
Renaissance en werd in de Nieuwe Tijden verder ontwikkeld. Descartes
werk “Discours de la Méthode” (1637) betekende zowel inhoudelijk als
qua sfeerschepping een sterke bijdrage.
Maar in de tijden ervoor werd er ook met succes wetenschap bedreven.
Meer nog, de Exacte Wetenschappelijek Methode werd ontwikkeld door
wetenschappers die haar nog niet gebruikten…
En hoewel de Integratieve Wetenschappelijke Methode al tientallen jaren
beschreven is is zij nog steeds niet algemeen toegepst. Men blijft in
de menswetenschappen maar verbeten verderzoeken naar de
toepassingsmogelijkheden van de exacte methode. Nochtans zijn er links
en rechts duidelijke tekenen dat sommigen aanvoelen dat het de
integratieve richting uit moet.
De dertig eeuwen Westerse beschaving, inclusief de Egyptische, Griekse
en Renaissanceperiodes, hebben nooit de "exacte" methode gekend. De
toenmalige "wijsgeren" en "geleerden" ontworpen hun theorieën
intuïtief, en wisten dat ze juist waren, omdat hun stellingen een
bevredigende verklaring boden voor alle tot dan toe gekende gegevens,
en leidden tot juiste toepassingen. Een geleerde uit die periode kon
trouwens ook "alles" kennen. Pascal (1623-1662) geldt als de laatste
wetenschapper die "alles" kende, de zgn. "Homo Universalis". De
plausibiliteits- methode bestond erin, dat men tussen de hypothesen die
men intuïtief aanvoelde, deze koos die het best paste bij de totaliteit
der gegevens waarover men beschikte. Op dergelijke wijze is de
astronomie der Assyriërs en Egyptenaren ontstaan, formuleerden de
Grieken het begrip atoom, ontwikkelden de Chinezen de acupunctuur, en
kwamen de belangrijkste stukken van de wis- en natuurkunde, van
Archimedes tot Newton, tot stand.
Recent zijn fenomenen als Evidence Based Medicine en Qualitative Research steeds populairder geworden als wetenschappelijke
onderzoeksmethodes. Ze verlaten duidelijk de quantitatieve methode van
de Exacte Wetenschap, en betekenen een stap dichter bij de Integratieve.