0150
De Ethiek van de Integratieve Psychologie
Deontologische Code opgemaakt en voorgeschreven door
de Vlaamse Vereniging voor Integratieve Psychologie v.z.w.
voor de Integratieve Psychotherapeuten en Psychologische Consulenten (I.P.)
door haar erkend
1. Toepassing van deze code
Bepalingen
Met "behandeling" worden in deze tekst alle interacties bedoeld die direct of indirect bevorderlijk geacht worden voor het psychisch groeiproces van de personen die dit behandelingsproces ondergaan van een vrij gekozen behandelaar die zich daartoe engageert. Deze behandeling is een middelenverbintenis, geen resultaatsverbintenis.
Met "behandelaars" wordt in deze tekst bedoeld: alle (psycho)therapeuten/consulenten/hulpverleners, paramedici, sociale werkers, enz. opgeleid volgens de methode van de integratieve psychologie, therapie en psychanagogie, zoals deze wordt aangeboden door de Academie voor Integratieve Psychologie (AIP) en onder supervisie van de Vlaamse Vereniging voor Integratieve Psychologie (VVIP), en onder bepaalde voorwaarden erkend als integratief psychotherapeut / psychologische consulent (IP) door deze VVIP. Deze behandelaars kunnen werkzaam zijn in één der Neuro-Psychotherapeutische Centra (NPC), maar ook daarbuiten.
Met "behandelde" wordt in deze tekst de persoon, ook patiënt of cliënt genoemd, bedoeld die een behandeling van een behandelaar ontvangt. Bij sommige personen, zoals minderjarigen, zijn de ouders of de wettelijke vertegenwoordigers de beslissers over begin en eind van de behandeling, en over de eventuele opties tijdens de behandeling. Als "behandelde" worden ook therapeuten in opleiding en stagiairs beschouwd, als zij door een ervarener therapeut gesuperviseerd worden.
Taalkundige aanduidingen als "hij", "hem" en "zijn" slaan ook op vrouwelijke behandelden of behandelaars.
Toepasselijkheid
Deze code is ook van kracht voor toekomstige IP'en die nog in opleiding zijn, of voor IP'en die aan andere therapeuten inter- of supervisie geven.
2. Doelstellingen en algemene beginselen
De behandeling is bedoeld om direct of indirect het psychisch groeiproces te bevorderen van de personen die dit behandelingsproces ondergaan. Hiermee wordt bedoeld dat de behandelde subjectief en objectief zo goed mogelijk gaat functioneren binnen de bestaande mogelijkheden, en dat deze mogelijkheden zo mogelijk worden uitgebreid.
De behandeling schept in zekere mate een feitelijke machtssituatie waarin de behandelde niet steeds of onmiddellijk controle heeft op de behandeling en haar effecten. Daarom moeten alle interacties die schadelijk zouden kunnen zijn voor dit groeiproces, of die andere doelstellingen dienen dan deze die de behandelde bewust of onbewust zoekt of mag verwachten, zoveel als mogelijk vermeden worden. Hiermede worden bedoeld persoonlijke doelstellingen van de behandelaar zelf, van de verwijzende instanties, van leden van de levenskring of van de maatschappij in het algemeen.
Inzonderheid wordt het niet-integratief werken en/of het niet-integratief opgeleid zijn van een psychotherapeut of psychologsich consulent als onethisch beschouwd. Het bewust niet gebruiken van bestaande therapeutische of groeibevorderende mogelijkheden, maar de behandelde desondanks de indruk geven dat deze wel een complete totaalbenadering wordt aangeboden, is immers onaanvaardbaar. Het is inderdaad een vorm van machtsmisbruik en/of van bewust verwaarlozen van belangrijke nochtans beschikbare elementen in de eigen vorming als therapeut.
3. Kwaliteit van de behandeling
Alvorens de behandeling aan te vatten zal de behandelaar zo objectief mogelijk onderzoeken welke de gebieden van eventuele groeibevordering bij de behandelde zijn. Naast de klassieke diagnose van de bestaande psychopathologie(ën) en haar predisponerende, uitlokkende en beïnvloedende factioren, zal de behandelaar zich een bewust beeld vormen van de persoonlijkheidsfuncties (functionele diagnose) die kunnen en zouden moeten verbeterd worden om het hoger omschreven behandelingsdoel te realiseren. Waar nuttig zal de behandelaar gebruik maken van objectieve onderzoeksmethodes, zowel psychologisch als biologisch, om zijn diagnose te vervolledigen. Eveneens zal waar nodig het advies ingewonnen worden van collega's en andere gezondheidswerkers, zoals geneesheren, juristen, opvoeders, leraren en maatschappelijk werkers, om tot een vollediger diagnose te kunnen komen.
De term "diagnose" mag enkel gebruikt worden voor het besluit geformuleerd na overleg binnen een onderzoekend en/of behandelend multidisciplinair team, waarvan minstens een arts deel uitmaakt. Een diagnostisch voorstel, afkomstig van leden van dit team moet betiteld worden als "diagnostisch voorstel", "(voorlopig) besluit", of elke andere gelijkaardige titel.
De aangeboden behandeling moet voldoen aan de eisen van deskundigheid en zorgvuldigheid die, onder de gegeven omstandigheden van een behandelaar verwacht mag worden. Waar nodig moet de medewerking van behandelaars die in dit geval meer deskundigheid of ervaring verworven hebben, ingeroepen worden, bijvoorbeeld door ingeroepen consult, intervisie, supervisie, mede-behandeling of volledige doorverwijzing.
Inzonderheid moet bewust rekening gehouden met fenomenen als tegenoverdracht, te sterke emotionele betrokkenheid (bv. bij het behandelen van vrienden, familieleden of medewerkers), eigen ethische of filosofische conflicten, en moet de behandelaar het eigen geestelijk functioneren objectief blijven bewaken of laten bewaken. De behandelaar moet zo weinig mogelijk over zichzelf vertellen, zelfs bij het krijgen van directe vragen. Als hij over de eigen levenservaringen vertelt dan moeten deze zoveel mogelijk geanonymiseerd worden.
De behandelaar dient zorg te blijven dragen voor het bewaken, de instandhouding en ontwikkeling van zijn deskundigheid, door voldoende intervisie, supervisie, literatuurstudie en bijscholing, rekening houdend met recente ontwikkelingen in het veld van de therapeutische beroepsbeoefening, alsmede van de wetenschap(pen) waar de beroepsbeoefening op steunt. Men dient qua bijscholing minstens, jaarlijks, 25 studiepunten te behalen, waarbij 1 studiepunt overeenkomt met ongeveer 2 uren bijscholing,
Een behandelaar die meent te mogen afwijken van traditionele benaderingswijzen, al dan niet in het kader van wetenschappelijk onderzoek, moet steeds in staat zijn zijn werkwijze te verantwoorden aan de behandelde, en tevens aan de deontologische kamer van de wetenschappelijke vereniging die hem zijn erkenning verleent, in dit geval de V.V.I.P.
4. Regels voor het aangaan, uitvoeren en beëindigen van de behandeling
Duidelijkheid in de behandelingsrelatie
De behandelaar zal gedurende de behandeling geen andere relatie dan een behandelingsrelatie met de cliënt hebben of de wens daartoe uitspreken. Hij zal in het begin van de behandeling waar nodig duidelijk stellen welke de grenzen van de contacten zijn met betrekking op eventueel meedelen van informatie aan derden, bv. bij een gerechterlijke onderzoeksopdracht, bij minderjarigen, en dergelijke. Hij zal inzonderheid geen puur diagnostische onderzoeksopdracht en een behandelende vermengen, tenzij als verdediger van de belangen van de behandelde. Dit betekent ondermeer dat wie een behandelde reeds behandelde, later geen onderzoeksopdracht van derden mag aanvaarden.
Als nieuwe of op dat ogenblik ongebruikelijke werkwijzen worden aangewend, al dan niet met bepaalde risico's, dan moet de behandelaar daar de behandelde of zijn wettelijke vertegenwoordiger behoorlijk over informeren en diens uitdrukkelijke instemming verkrijgen, liefst schriftelijk (informed consent) of minstens uitdrukkelijk genoteerd in het dossier.
De behandelaar zal vermijden om, volgens de huidige stand van de wetenschap, onrealistische positieve of negatieve verwachtingen bij de behandelde te scheppen of te bevorderen.
Vrijwilligheid van verstrekken, ontvangen of beëindigen van behandeling
De behandelaar zal uitsluitend een behandeling aanbieden aan wie daar zijn vrijwillige en weloverwogen toestemming toe geeft, of daar door zijn wettelijke vertegenwoordigers (bv ouders van minderjarigen) aan wordt onderworpen. Deze behandeling kan ook telkens vrij afgebroken worden, eventueel na elke sessie. Het is wel een goede gewoonte om bij voortijdig afbreken van de behandeling een afsluitend gesprek te houden.
Minderjarigen die de volwassenheid naderen kunnen voor bepaalde aspecten van de behandeling en de verslaggeving worden afgeschermd voor een te sterk of niet als bevorderlijk beschouwde inmenging van de wettelijke vertegenwoordigers, bijvoorbeeld maar niet uitsluitend voor wat betreft het seksuele leven.
Anderzijds is ook elke behandelaar vrij de behandeling te aanvaarden, af te breken of te beëindigen. Hij mag maar moet daar geen verklaring voor geven, hoewel het in het kader van het behandelingsdoel wenselijk is dat hij daar een bevattelijke en constructieve verklaring voor geeft aan de behandelde, en waar mogelijk helpt bij een doorverwijzing als deze gewenst is door de behandelde. In het algemeen zal hij zich ontslagen achten van zijn opdracht als de behandelde naar zijn gevoel en/of volgens de gemaakte afspraken onvoldoende medewerkt aan het behandelingsproces. In vele gevallen zal de behandelaar hierover overleg plegen in inter- of supervisie, maar het blijft zijn eigen autonome beslissing.
Speciale aandachtspunten
Voor de duur van de behandeling tot minstens zes maanden na de beëindiging ervan is het aan de behandelaar verboden geschenken te aanvaarden of te geven die meer dan een symbolische waarde hebben, of kopen en andere financiële overeenkomsten af te sluiten, in beide richtingen.
Binnen deze zelfde periode mag de behandelingsrelatie niet overgaan in een vriendschapsrelatie, seksuele relatie of een professionele samenwerking, tenzij deze al bestond vóór de behandeling aangevat werd, of als de behandeling niet expliciet aangevat werd en zich bijvoorbeeld beperkte tot een occasioneel advies of testonderzoek.
Bij het behandelen van seksuele problemen moet de grootst mogelijke duidelijkheid in afspraken en methodes in acht genomen worden. Aspecten waar andere gezondheidswerkers, bv. medici, paramedici of verpleegkundigen, beter voor aangewezen zijn, mogen niet ondeskundig door niet-medici worden overgenomen.
Behandelaars zullen nooit proberen behandelden over te halen tot bepaalde filosofische, religieuze of politieke overtuigingen. De (groeps)praktijk moet op dit vlak als neutraal overkomen.
5. Beroepsgeheim
In principe mag over diagnose en behandeling, en zelfs van het feit der behandeling, geen informatie aan derden verstrekt worden, tenzij dit uitdrukkelijk tot het doel van onderzoek en behandeling behoorde van in het begin van de behandeling, en op dat moment duidelijk is afgesproken met de behandelde. Deze mededeling moet zowel in dossier als in eventuele verslagen vermeld worden.
Dit verbod vervalt niet bij de eventuele dood van de behandelde, noch bij het beëindigen van de behandeling. Het geldt ook bijvoorbeeld ten opzichte van de levenspartner en familieleden van de behandelde, ten opzichte van verzekeringen, zelfs al ondertekende de behandelde een toestemming tot het verstrekken van deze informatie.
Het beroepsgeheim geldt ook als op grond van de gestelde waarnemingen en onderzoekingen beslist wordt geen behandeling aan te vatten.
In principe worden testresultaten enkel met de behandelde besproken.
Willen anderen, bv partners of gezinsleden, aan de behandelaar informatie verstrekken of verkrijgen, dan wordt dit steeds aan de behandelde meegedeeld, ook al verzochten de informanten om dit niet te doen. In principe wordt de informatie enkel verstrekt in aanwezigheid en met instemming van de behandelde.
Terwille van de continuïteit van de behandeling kan een behandelaar informatie verstrekken aan zijn opvolger, op voorwaarde dat dit verzoek schriftelijk en ondertekend door de behandelde wordt meegedeeld.
De behandelde kan zijn instemming om bepaalde informatie mee te delen steeds weer intrekken.
Tenzij voor de continuïteit van de behandeling is de behandelaar nooit verplicht om op het verzoek tot informatieverstrekking aan derden door betrokkene in te gaan, zelfs als hem dit schriftelijk is gemeld.
Verbreken van beroepsgeheim
Enkel de bevoegde gerechterlijke instantie kan een behandelaar dwingen delen van deze informatie prijs te geven, en zelfs dan moet dit minimaal en discreet gebeuren, met vermelding van het verzet en de reticenties. Dit betekent dat de behandelaar eerst de plicht heeft zich te verschonen als het afleggen van een getuigenis en/of beantwoorden van bepaalde vragen hem in strijd brengt met zijn zwijgplicht. Ook in deze gevallen moet het getuigenis zich beperken tot het vermelden van wat werkelijk is waargenomen of vernomen, en moet hij zich onthouden van interpretaties, veronderstellingen en veralgemeningen, of van gegevens die op anderen dan op de behandelde betrekking hebben.
Anderzijds kan de behandelaar zich soms spontaan ontheven achten van de zwijgplicht bij ontbreken van toestemming van de cliënt om informatie aan derden te verstrekken, als aan volgende vijf voorwaarden samen is voldaan. Zo mogelijk zal deze autonome beslissing maar genomen worden na collegiaal overleg in inter- of supervisie.
1. Alles is in het werk gesteld om toestemming van de cliënt te verkrijgen, of hem te overtuigen zelf bepaalde instanties op de hoogte te brengen.
2. De behandelaar moet in gewetensnood verkeren door het handhaven van de geheimhouding.
3. Er is geen andere weg dan verbreking van het geheim om het probleem op te lossen.
4. Het is vrijwel zeker dat het niet-verbreken van het geheim een voor derden aanwijsbare en ernstige schade en/of gevaar zal opleveren.
5. De behandelaar moet er vrijwel zeker van zijn dat door de verbreking van de geheimhouding die schade aan de andere(n) kan worden voorkomen of beperkt.
Zelfs in dit geval moet de behandelaar zich inspannen opdat de behandelde de minst mogelijke schade ondervindt van de informatieverstrekking, en zal hij deze informatie zo mogelijk slechts meedelen aan een persoon die zelf door beroepsgeheim of discretie is gebonden, zoals een rechter, een huisarts, de levenspartner, een vertrouwenspersoon van de behandelde, en dergelijke.
Indien de voorgenomen maatregel noodzakelijk is om de behandelde tegen levensbedreigend of voor anderen gevaarlijk gedrag te beschermen, dan mag het vereiste overleg ook plaatsvinden nadát de maatregelen, bijvoorbeeld collocatie, zijn aangevraagd of getroffen.
Gedeeld beroepsgeheim
In vele gevallen kunnen meerdere professionelen betrokken worden bij een behandeling. De behandelde moet hiervan zo gauw mogelijk ingelicht worden en hiermee instemmen. Hij moet voorgelicht worden van het feit dat hij nooit mag verwachten dat bepaalde informatie voor bepaalde mede-behandelaars zal verzwegen worden.
Bij inter- en supervisie moet de identiteit van de besproken behandelde, en van alle gegevens die kunnen leiden tot herkenning ervan, verhuld worden.
De behandelaar blijft verantwoordelijk voor de geheimhouding door de mede-behandelaars en eventuele secretarissen die over delen van deze gegevens kunnen beschikken.
6. Informatieverwerking en dossier
Het noteren op schrift, geprint of elektronisch van gegevens betreffende de behandelde, diens diagnose en de behandeling, hebben uitsluitend tot doel het werk van de behandelaar te verlichten en te ondersteunen, zowel op het ogenblik zelf of voor latere vervolgbehandeling, zelfevaluatie, reflectie en onderzoek. Alleen de documenten en rapporten die bedoeld waren voor de behandelde of derden behoren tot het eigenliujke "dossier". Alle andere nota's worden beschouwd als van en voor de behandelaar, en kunnen enkel door een rechter gedwongen geraadpleegd worden.
Dit geldt ook voor audio-, video- of filmregistraties van therapiezittingen met de behandelde, als het gebruik van een doorkijkwand. Bij opnames door video, audio en dergelijke moet de behandelde steeds vooraf verwittigd worden en moet hij zijn toestemming verlenen, die in het dossier wordt vermeld. Hij kan deze toestemming achteraf steeds intrekken, en zelfs het wissen van gemaakte opnames gebieden.
De behandeling dient plaats te vinden in een ruimte die van een zodanige aard is dat derden geen kennis kunnen nemen van hetgeen er in de behandeling voorvalt.
Bij het dossier mogen geen onnodige concrete gegevens vermeld worden, zoals de naam van bepaalde personen uit de omgeving van de behandelde, concrete geldbedragen en dergelijke. De behandelde heeft zelfs het recht zijn behandeling anoniem te laten verlopen, en zich onder een fictieve naam aan te melden.
In principe zal deze informatie dus enkel voor de behandelaar toegankelijk zijn. Binnen de grenzen der redelijkheid en met de bestaande technische middelen moet deze informatie dus voldoende afgeschermd worden voor niet-behandelaars. Waar nuttig mag de behandelaar codes of afkortingen gebruiken, of bepaalde gegevens bewust niet vermelden.
Inzagerecht van de behandelde of diens vertegenwoordiger
Anders dan in de fysieke geneeskunde moet men rekening houden met feit dat het meedelen van bepaalde diagnostische psychiatrische gegevens een, soms zeer, nadelig effect kan hebben op de geestelijke toestand en evolutie van de behandelde. Dit is, althans in die gevallen, dus in strijd met het doel zelf van de behandeling, en dus onethisch. In twijfelgevallen moet dit risico schriftelijk aan de behandelde worden meegedeeld vòòr het inzagerecht wordt uitgeoefend. De behandelaar of een andere professioneel zal in elk geval aanwezig zijn om de eventuele onduidelijkheden en morele schade zoveel mogelijk te proberen beperken.
De eigen reflecties van de behandelaar gemaakt tijdens de behandeling, bv. over zijn twijfels, tegenoverdracht, en dergelijke, alsook informatie, door derden zelfs met toestemming van de behandelde verstrekt over de behandelde, vallen niet onder het inzagerecht van de behandelde. Hetzelfde geldt voor eventuele nota's gemaakt door deelnemers aan intervisie- of supervisiezittingen.
Indien uitoefening van het inzagerecht wordt verlangd nádat de behandeling werd beëindigd, dan kan de behandelaar of het hoofd van de instelling die het beheer over het archief voert een andere behandelaar aanwijzen om de uitoefening van het inzagerecht te begeleiden. Na de wettelijke termijn van bewaarplicht van het dossier kan geen inzagerecht meer worden uitgeoefend.
7. Verslaggeving
Verslagen moeten steeds het doel van de raadpleging en de behandeling dienen. Verslagen, expertises of opgedragen onderzoekeingen kunnen enkel gebeuren als dit in het begin van het onderzoek of de behandeling duidelijk is gesteld aan de behandelde. Van deze mededeling moet in dossier en verslag melding gemaakt worden.
In principe worden alle verslagen aan de betrokkene of zijn wettelijke vertegenwoordiger meegegeven, die deze dan zelf aan de personen of instanties van zijn keuze kan overmaken. Een kopie van het verslag wordt zo mogelijk aan de behandelde meegegeven, en desgewenst op voorhand samen bekeken. Verslagen worden dus in principe niet direct aan derden vestuurd, tenzij aan medebehandelaars.
De behandelde kan vragen om bepaalde gegevens te attesteren, maar zelfs dan mag dit document enkel aan de betrokkene overhandigd worden, die het dan zelf bezorgt aan wie deze wil. In elk geval zal dit document een mededeling bevatten in de zin van "attest opgesteld op verzoek van de betrokkene en aan hem/haar overhandigd".
Hoewel de behandelaar niet alle details hoeft te vermelden, zeker niet deze die tegen de behandelde zouden kunnen worden aangewend, mag hij geen verklaringen afleveren die indruisen tegen de waarheid of zijn geweten.
In het verslag kunnen alleen zaken worden aangegeven die tijdens de behandelingscontacten zijn geobserveerd of vernomen. Bij het formuleren van hypothesen moet dit duidelijk en desnoods herhaaldelijk worden aangegeven door de verslaggever. Bij gegevens over anderen, bv. gezinsleden, medewerkers, en zo verder, moet telkens duidelijk en desnoods herhaaldelijk worden aangegeven dat de behandelde zulks meedeelde, dit om te vermijden dat de indruk gewekt wordt dat deze gegevens direct door de behandelaar bij derden zijn geobserveerd, en dus een schijn van objectiviteit krijgen die zij niet verdienen.
Inzonderheid bij het opmaken van verslagen over kinderen van scheidende ouders zal men erop letten geen partij te kiezen, enkel het waarneembare en meetbare bij het kind te vermelden, de kinderen te onderzoeken buiten de aanwezigheid van de ouders en dit te vermelden in het verslag, waar mogelijk verzoening en overleg na te streven, en zich nooit in de plaats van de rechter te stellen.
8. Financiële aspecten
De behandelaar zal zich bij het bepalen van het honorarium houden aan wat in zijn streek en de sociale laag van de behandelde gebruikelijk is.
Er kan in de bepaling van het honorarium wel rekening gehouden worden met de grotere of kleinere financiële middelen van de behandelde. Gratis behandelen kan in principe niet; er moet minstens een kleine bijdrage worden geleverd door de behandelde om de motivatie duidelijk te houden.
Het doorsturen van behandelden naar collega's, definitief of voor bepaalde onderzoekingen, mag nooit met enig financieel voordeel voor de verwijzer gepaard gaan.
9. Klachtenprocedure
Behandelden en rechtspersonen kunnen zich op deze code, die op de website is gepubliceerd, beroepen volgens de procedure die hieronder omschreven is door het Bestuur van de NPC of de VVIP, ook elektronisch via info@acip.cc of via de verantwoordelijke van de respectievelijke vestigingsplaatsen.
Behandelaars, erkend door de VVIP, kunnen verzocht worden hun werkwijze te komen bespreken voor het bestuur van de VVIP, of voor een door haar samengestelde kamer. Het initiatief hiervoor kan van het bestuur uitgaan, van de behandelde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of van de behandelaar zelf.
De vragen en eventuele klachten worden afgewikkeld door een kamer van minstens drie leden, aangesteld door het bestuur van de VVIP. Hierbij kan maximaal de helft der leden gewraakt worden door de beklaagde. Zelf kan de beklaagde vóór de besprekingen bepaalde kamerleden suggereren, waarvan ook maximaal de helft kan gewraakt worden door het bestuur van de VVIP.
Deze kamer kan de behandelde horen, en ook getuigen horen of adviezen inwinnen. De professionele besprekingen zullen en kunnen steeds enkel door mede-professionelen gevoerd worden. De beklaagde mag één of meerdere mede-professionelen meebrengen om zijn standpunten te verduidelijken.
De enige mogelijke maatregel die kan genomen worden door deze kamer is het tijdelijk of definitief intrekken van de erkenning als IP, en/of het opleggen van bijkomende vormingsvoorwaarden.
Het besluit van deze kamer, met de motivaties maar niet met het proces-verbaal, wordt enkel aan de betrokkene en aan het bestuur van de VVIP meegedeeld. De betrokkene kan eventueel deze besluiten zelf aan anderen meedelen. Aan de aanklager wordt alleen ontvangst gemeld van de klacht, en vermeld dat de zaak naar behoren zal afgewikkeld worden.
Eventuele schadeclaims kunnen enkel door de burgerlijke rechtbanken behandeld worden.