HISTORIEK
De reden waarom selectie als oplossingsstrategie zo populair is in onze cultuur is omdat het Westerse denken gedurende meer dan 25 eeuwen gedomineerd werd door de Aristotelische, tweewaardige (dualistische) logica, waarvan de syllogistiek de technische inhoud vormt. Een syllogisme is een redenering waarin de conclusie noodzakelijk uit de premissen volgt. Deze premissen zijn proposities die het uitgangspunt van de redenering vormen en waarvan met zekerheid kan gezegd worden dat ze als bewering ofwel waar ofwel onwaar zijn en dat op mutueel exclusieve wijze. Het al dan niet waar zijn van de conclusie volgt dan logisch uit de waarheidswaarde van deze premissen.
vb: premisse 1: Alle mensen zijn sterfelijk
premisse 2: Socrates is een mens
conclusie: Socrates is sterfelijk
De conclusie in bovenstaand voorbeeld is waar als beide premissen waar zijn. De waarheidswaarde van de premissen is mutueel exclusief, wat betekent dat er slechts twee mogelijkheden zijn: een premisse is ofwel waar ofwel onwaar. Binnen dit paradigma richten alle intellectuele activiteiten zich dan op het zoeken naar argumenten om beweringen als waar te aanvaarden of als onwaar te weerleggen.
Gedurende de Renaissance kende deze logica een heropleving, toen de Cartesiaanse, deductieve logica en het mathematisch denken als absolute vereiste werden beschouwd voor elke vorm van wetenschappelijk verantwoord denken. Tot in de negentiende eeuw was de syllogistiek zelfs het enige gehanteerde systeem binnen de logica.
Ondanks het feit dat deze benadering een grote bijdrage leverde aan de deductieve logica, is ze toch ontoereikend gebleken wat betreft de volgende expliciet of impliciet vermelde uitgangspunten:
Omdat de ontoereikendheid van deze traditionele wetenschapsfilosofische benadering op bepaalde vlakken van het wetenschappelijk onderzoek meer en meer aan de oppervlakte kwam, werden in de tweede helft van de twintigste eeuw verschillende pogingen ondernomen om de werkelijkheid op een meer holistische manier te beschrijven. Maar tot op heden ontbreekt een centraal paradigma die deze benadering eenduidig vastlegt. De integratieve benadering die aan de academie werd uitgewerkt, komt hieraan tegemoet.
Binnen het integratieparadigma vertrekt men van de assumptie dat geen enkele bewering volledig waar of onwaar is, waaruit de veronderstelling volgt dat er geen contradicties bestaan. Het Aristotelische uitgangspunt dat een bewering op mutueel exclusieve wijze ofwel waar ofwel onwaar is, houdt immers enkel stand binnen modellen die de werkelijkheid beschrijven. Modellen zijn echter per definitie vereenvoudigde voorstellingen van de werkelijkheid, wat steeds een verwaarlozen van factoren impliceert (reductionisme). Zo zal een lat van 1 meter nooit exact die lengte hebben. Eveneens is het exact voorspellen van de tijd waarin een trein een bepaald traject aflegt onmogelijk, omdat we nooit met alle factoren kunnen rekening houden die deze tijd beïnvloeden. Dit betekent dus dat hoe complexer de processen zijn die modellen beschrijven, hoe meer die modellen van de werkelijkheid zullen afwijken. Waar wij bijvoorbeeld nog vrede kunnen nemen met de benaderde reistijden van de trein, zal daarentegen het beschrijven van psychologische mechanismen met simpele modellen die slechts enkele factoren in beschouwing nemen, niet meer volstaan. Het integratieparadigma heeft daarom als derde assumptie dat een integratieve theorie meer plausibel is dan haar niet-integratieve elementen, omdat zij door het opnemen van deze niet-integratieve elementen steeds met meer factoren zal rekening houden.
HISTORIEK EN SYNONIEMEN
Integratie is een begrip dat stilletjes is gegroeid in de 18e eeuw, maar echt is doorgebroken in de 20 ste eeuw.
De integratieve methode was de klassieke wetenschappelijke manier van denken in de oude tijden. De oude filosofen en wetenschappers hadden immers niet de beschikking over de natuurwetenschappelijke middelen die pas vanaf de renaissance worden ontwikkeld, maar formuleerden desondanks toch merkwaardige en vrij exacte wetenschappelijke theorieën.
Binnen de academie werden in de loop der tijd de volgende betekenissen aan het begrip 'integratie' gegeven:
Communicatie (= interactie): gebeurt in twee richtingen, en is pas geslaagd als er een integratie mogelijk is.
CAVE! Iemand proberen te overtuigen is geen communicatie maar manipulatie (vb. de opvoeding, les geven). Bij communicatie weet je niet op voorhand waar je zal uitkomen.
Creativiteit (onbewust integreren): Je brengt twee zaken samen die meestal al bestonden. Vb. hoe verschillende culturen samenvloeien en langzamerhand een nieuwe cultuur vormen.
Logica (integratie is een wetenschappelijke methode): Mensen werken constant theorieën uit. Theorieën die we spontaan aanvoelen en voor ons nogal simplistisch zijn. Andere mensen hebben andere theorieën. Als we deze allemaal samenvoegen dan wordt de kans dat we tot een juiste theorie komen alsmaar groter. Er is een integratie van alle mogelijke theorieën die spontaan zijn ontstaan.
In de jaren 1200-1500 waren er veel wetenschappers die theorieën hebben uitgewerkt (vb. algebra), en dit ondanks dat ze geen wetenschappelijke theorieën hadden. Een voorwaarde hierbij is dat men over een grote algemene kennis moet beschikken.
Evolutieleer: hoe is de kosmos ontwikkeld? Er zijn 9 niveaus, maar op geen enkel niveau heeft een volledige integratie plaatsgevonden. Want mocht er op een bepaald niveau wel een volledige integratie hebben plaatsgevonden dan zou de evolutie gestopt zijn.