5000-5399
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5020 Modus 2: Oraal



De sub-reële modi (2-3-4)

 

MODUS 2

De hyper-aanpassingsmodus (oraal)



Inleiding



Kernstructuur

 

Deze methode is de omgekeerde van de vorige. Hierbij wordt getracht om de onverzoenlijkheid tussen de eigen verwachtingen en de verwachtingen vanuit de buitenwereld op te lossen door de eigen storende verwachtingen prijs te geven, en op te offeren.

 

Het is een overdreven manier van zich te schikken naar wat men van ons verwacht. Het is de methode der mensen die zich braaf afsloven terwille van de omgeving. Ze hebben weinig conflicten, doch geven daarvoor veel prijs van zichzelf. Soms beseffen ze dit niet, en zijn dan gelukkig. Doch wordt hun stress door gebrek aan bevrediging te groot, dan vervallen ze dikwijls in een "onverklaarbare" depressie. Soms trachten ze zich te troosten door masochisme ("Ik span me toch hard in voor mijn man en mijn kinderen."), ofwel gaan ze troost zoeken in kalmeermiddelen, slaapmiddelen en alcohol.

 

Deze zijnswijze wordt gedragen en begeleid door fantasmen met als hoofdthema's: de kwetsbaarheid en machteloosheid van de eigen levenssituatie, het overgeleverd zijn aan krachten buiten zichzelf. De enige eventuele manier om de omgeving te manipuleren is: uiting geven aan de eigen onmacht, aan de eigen gevoelens, opgaan in die gevoelens.

 

De orale zijnsvormen worden niet alleen onderhouden door een eigen fatasmatisch geestesleven, maar door enkele typische fenomenen vanuit de omgeving. Inderdaad, de omgeving gaat er, soms uit medelijden, soms uit vrees voor erger, soms uit sympathie (bv. t.o.v. vrouwen en kinderen) begrijpend en soms behulpzaam op in, waardoor het gedrag in de toekomst vaker herhaald zal worden.

 

De kinderlijke zijnsvorm

 

Dit is een normale doorgangsfase van het zich ontwikkelende kind. Deze fase wordt gekenmerkt door het eerst spontane, later bewustere uiting geven aan de eigen gevoelens van gemis en onbevredigdheid. Het kind doet in die fase niet veel anders dan schreien en eten, twee activiteiten met de mond, reden waarom Freud deze periode de orale heeft genoemd.

 

De volwassen zijnsvorm

 

Bij deze persoonlijkheidsstructuur tracht de persoon succes te bekomen en de omgeving te beïnvloeden door gewoon uiting te geven aan zijn behoeften, zijn onvermogen, zijn gevoelens, de tekenen van zijn ziekte, enz., m.a.w. een heleboel dingen waar hij "niets kan aan doen".

Deze karakterstructuur wordt ook hysterisch genoemd, omdat de gevoelens een veel sterkere rol spelen in het bepalen van het gedrag dan de rationelere overwegingen.

 

Voorbeelden van dit orale gedrag: klagen, huilbuien, gaande tot hysterische crisissen, passiviteit (bv. niets zeggen, of antwoorden, "ik weet het niet"), zijn mislukkingen goedpraten door te zeggen "ik kan dat toch niet" en er eventueel dwaas mee lachen, zich onttrekken aan plichten en taken door het gebruikmaken van ziekten en ongemakken, flauwvallen, zenuwachtig worden, paniekreacties, mislukkende zelfmoordpogingen, enz..

 

De pathologische zijnsvormen

 

Deze psychiatrische gedragsvormen hebben dit gemeen, dat aan de grondslag ervan fantasmen liggen van machteloosheid en overgeleverd-zijn aan sterke factoren buiten zich of vanuit de diepere, onbeïnvloedbare lagen van het eigen zielenleven. Het is een sterke verdringing van de eigen noden en verlangens die als onbereikbaar worden geacht.

 

Ze worden ingedeeld in Acute en Chronische vormen.


Pathologieën

 

Acuut

 

De acute modus-2-pathologieën

 

De belangrijkste acute modus-2-pathologie is de depressie. Inderdaad, een depressie kan beschouwd worden als een acute regressie, gedurende enkele weken, naar de orale functioneringsmodus: totale hulpeloosheid, niet meer geloven in zichzelf.

 

Vroeger, en nog steeds in de psychiatrie, werden de depressies ingedeeld in een apart psychopathologische categorie, namelijk de stemmingsstoornissen. Het beschikbaar worden van antidepressiva, de meest verkochte psychofarmaca, zal daar wel niet vreemd aan zijn. Doch bekeken vanuit psychotherapeutische hoek weet men dat een depressie een zuiver orale regressie is, die als dusdanig psychotherapeutisch moet aangepakt weroden: empathisch, en het risico van afhankelijkheid van de therapeut trachten te vermijden.

 

De depressie begint snel te neurotiseren, reeds na enkele weken. Mettertijd, en zeker na 3-6 maanden, is ze omgevormd tot een neurotische depressie, of beter gezegd een depressieve neurose. Velen, noch therapeuten noch patiënten, beseffen echter de snelle neurotisering van de depressie niet. Het proces is ook een vicieuze cirkel, met steeds nieuwe "reactieve depressies".

 

Andere acute modus-2-pathologieën zijn: angstaanval, hysterische aanval, paniek.

 


 

DEPRESSIES 

 

a) in het algemeen


BEPALING

Een depressie is een stemmingstoornis die enige tijd aanhoudt (weken tot maanden). Zoals uitgelegd op de pagina "stemming" is de subjecteve afstand tot geluk enorm vergroot, en de subjectieve afstand naar ongeluk verkleind. Het energiepeil daalt, alsook het initiatief. Een pessimistische stemming verandert daarenboven de interpretatie der levenservaringen, zodat het negatieve de stemming nog verergert, en het positieve niet meer in staat is de stemming te verbeteren.

 

Dit alles uit zich op meerdere vlakken:

1.    Het eerste is het verminderen van activiteit en vooral het verminderen van alle initiatieven. De psychische activiteiten verminderen ook, zoals het geheugen. Soms is dat op zichzelf een reden om meer depressief te worden.

2.    Verder is er droefheid: de frontale hersenen vergelijken het eigen functioneren met vroeger of met het gewenste peil, en zien die contrasterende vermindering.

3.    Ook zijn er de fysieke verschijnselen: vermindering van eetlust, vermagering, gestoorde slaap, moeheid overdag .

4.    Omdat het werkelijkheidsbeeld en het eigenbeeld pessimistisch worden gaat de persoon ook denken dat redding of genezing onmogelijk zijn, en dat dit de definitieve toestand is.

 

Al naargelang de oorzaak en de soort depressie, en uiteraard ook zijn persoonlijkheid en levenssituatie, zijn beeld en verloop anders.

 

DSM-codes as I

296.20 Eenmalige depressie, ongedefinieerd.

296.24 Eenmalige depressie, met psychotische decompensatie.

296.26 Eenmalige depressie, genezen.

296.30 Recidiverende depressie, ongedefinieerd.

296.34 Recidiverende depressie, met psychotische decompensatie.

296.36 Recidiverende depressie, genezen.

300.40 Neurotische depressie, depressieve neurose.


Volgens de DSM-methode is iemand depressief als hij, minstens gedurende twee weken, minstens 5 van de volgende 9 symptomen vertoont, waaronder minstens één van de eerste twee:


1. een droeve stemming

2. sterk verlies van belangstelling en plezier


3. gewichtsveandering, meestal midner, soms mee

4. moeheid en weinig energie

5. slaapstoornissen, mestal minder, soms meer. Vaak doorslaapstoornissen

6. psychomotore opwinding

7. gevoel van waardeloosheid en schuldgevoelens

8. concentratie- en geheugenstoornissen

9. bezorgdheid, piekeren, zelfmoordgedachten (niet aarzelen deze te bevragen!)


Andere mogelijke symptomen (niet essentieel voor de definitie) zijn: piekeren, prikkelbaarheid, zorgen over zijn lichaam en allerlei ziektes ("hypochondrie"), toegenomen en veranderde pijnen


Spijtig genoeg gooir de DSM alle depressies (buiren de endogene) op één hoopje, en worden er geen subtypes ("symptomenclusters") gedefinieerd, die nochtans duidelijk bestaan.

 

HTE DEPRESSIEVE PROCES


We maken onderscheid tussen het eigenlijke depressiemechanisme en uitlokkende factoren.

 

A. Het depressiemechanisme

 

Opmerking over de neurobiologische dimensie


Door recente vcooruitgang in de wetenschp worden meer en meer neurobiologische aspecten van de depressie bekend, die bijna steeds waar te nemen zijn. Dit wil echter niet zeggen dat deze meetbare organische verschillen in hersenfunctie "de oorzaak" zijn. Het zijn meestal gewoon de uitingsvormen en de onderliggende mechanismen van het proces. Ze kunnen echter wel een verzwakte weerstand veroorzaken, dus de kans op latere depressies vergroten.


Merkwaardig is dat zowel psychogene factoren (bv bij liefdesverdriet) als neurobiologsiche (bv bij endogene, erfelijke depressie) dezelfde veranderingen in de hersenen kunnen uitlokken, terwijl anderzijds een vebetering in de neurobiologische toestand kan optreden zowel door goede medicatie als door goede psychotherapie, en het best bij een combinatie van beide therapievormen.


Het neurobiologisch proces van depressie en genezing ervan


Bij depressie gaan sommige hersencellen eigenlijk langzaam dood (atrofie). In een eerste fase (weken, maanden) vermindert het aantal dendrieten, later sterven zowel de hersencellen als de hen omhullende gliacellen. Dit gebeurt niet overal maar wel duidelijk in sommige hersendelen en netwerken. Dit kan men observeren met spect-scan, waarbij schommelingen in de bloeddoorstroming (perfusie) kunnen gemeten worden.



(ATV- Area Ventro-Tegmentalis; MFB - mediale Voorbrein-Bundel)


1) de (pre)frontale cortex (vooral de twee laterale kanten), waar veronderstellingen en evaluaties op langere termijn plaatsvinden, met de daarbij horende plaaning van eigfen denken en gedrag. Daardoor verliest de persoon zijn vermogen tot relativeren, wordt hij hopeloos, en vermindert zijn zelfcorrectie.


2) de amygdala. Deze kern die vooraan het limbisch systeem ligt, is actiever bij angst en agressie., en dus vaak hyperactief bij depressie.


3) de nucleus accumbens. Dit centrum, ook gelukscentrum genaamd, produceert veel GABA (het remmende gamma-amino-boterzuur) als hij geprikkeld wordt door het DA van de MFB. DA is de beloningsneurotransmitter, die stijgt bij voeding, plezier en seks, en drugs. de GABA remt op vele plaasten storende en pijnlijke zenuwactiviteiten af. Bij depressie dalen al deze activiteiten.


4) de Hippocampus. Deze ondersteunt de geheugenactiviteiten (overgang van KTG naar LTG). Het dalen van zijn functie bij depressie gaat samen met de concentratie-, leer- en geheugenstoornissen. Bv. bij zware stress en trauma's in de prille jeugd is de hippocampus duidelijk kleiner.


Anders men vroeger dacht (doede hersencellen wroden nooit vervangen) heeft men tioch duidelijk een herstelvermogen kunnen aantonen (neuroplasticiteit). Het stimulerende product hierbij is BDNF (Brain Derived Neurotrophic Factor), dat verwant is aan het GDNF (glia derived...). Bij depressie daalt dit product sterk in de hersenen, bij goede (en voldoende langdurige) behandeling (zowel antidepressiva als psychoanagogie, maar ook door sport!) stijgt deze BDNF en herstelt hij de hersencellen, wat zich uit in een toenemend aantal dendrieten. Er bestaan (nog) geen medicamenten die dit BDNF kunnen nabootsen of stimuleren. Het is een eiwit dat diep door de DNA en RNA van de kern wordt aangemaakt. Sommige antidepressiva, vooral stablon, zouden echter sterke signalen geven om dit proces van productie van BDNF via messengers te bevorderen.


Belangrijk bij de behandeling van depressie is dus dat de behandeling niet te vroeg gestaakt wordt. Sommige patiënten "die tegen medicamenten zijn" hebben de neiging de behandeling af te breken van zodra ze zich beter voelen. Er moeten echter nog maandenlange neurobiologische herstelprocessen plaatsvinden. Onderzoek heeft uitgewezen dat elke depressie de kans op later recidief vergroot, en dat dat risico des te groter is naarmate de behandeling te kort uitviel.


Al deze fenomenen van celherstel gelden wellicht ook voor andere neurologische aftakelingsziekten zoals dementie, parkinson.


Het psychologisch proces


1. Stress of ontbering


Als psychogene oorzaak van depressie geraakt men in traditionele psychiatrische en vooral psychofarmacologische kringen niet veel verder dan het vage begrip stress. Dit wordt dan gedefinieerd als een langdurige opeenvolging van angst en frustraties, vaak gepaard gaande met sterke neurovegetatieve stoornissen. 


in de integratieve psycjhologie beschoiuwt men stress echter als een symotoom van een dieperliggend fenomen, namelijk een subjectief gebrek aan bevrediging der psychische behoeften (waarodner vooral waardering, creativiteit, intimiteit). Deze beleving wordt echter sterk gekleurd en geïnterpreteerd door het interpretatiesysteem, en het vernogen tot het vinden van van compensatiebevrediging, en deze gode interpreteren, wat bv bij veel schuldgevoelens moeilijk is.


Een plots verlies (bv. door partner, werkverlies) kan een persoon de indruk geven dat hierdoor in de toekomst geluksituaties niet meer mogelijk zullen zijn.


Soms zegt men dat uitputting een oorzaak van depressie kan zijn. Hoewel extreme fysische uitputting de gevoeligheid voor depressie kan verhogen, lokt ze zelf nog geen depressie uit. De eigenlijke depressieoorzaak bij situaties van "uitputting" is vooral de eenzijdigheid van de levenssituatie, waarbij talrijke behoeften noodgedwongen aan de kant moeten gezet worden (= ontbering). Bv. tijdens de blok wordt men niet zozeer depressief van te veel te werken, maar eerder van intussen alle andere psychische bevredigingen aan de kant te moeten zetten; of een meoder die haar kindm, dat ze graag ziet, goed wil verzorgen, en daarvoor steeds meer haar sociaal, professioneel en relatoineel leven verwaarloost.

  

Uit het vorige blijkt duidelijk hoe belangrijk de persoonlijkheid en de daarmee samengaande levenssituatie is voor het ontstaan van depressie: hoe positiever de gedachtengang, en hoe veelzijdiger de bevredigingsterreinen van iemand, hoe sterker hij staat tegen depressie, en omgekeerd.

 

2. De Droom-temperament-hypothese:

 

Als men de beschikbare informatie rond depressie, haar uitlokkende en genezende factoren integratief behandelt, komt men tot de volgende hypothese:

 

Vooreerst is het zeer opvallend dat antidepressiva slechts werken na twee weken, wat volledig anders is dan bij alle andere psychofarmaca (kalmeermiddelen, neuroleptica, stimuleermiddelen) die steeds onmiddellijk werken, op enkele minuten. Dit fenomeen plaatst ook vraagtekens bij de "neurotransmitterhypothese bij stemmingsstoonissen", want men kan die 2 tot 6 weken effectvertraging niet verklaren.

 

Men had verder ook al gemerkt dat antidepressiva soms een effect hebben aan doses die "officieel" veel te laag zijn om depressies te kunnen behandelen. Anderzijds is gebleken dat de temperamenten (zie Cloninger en andere voor de andere temperamenten, en ook een goede samenvatting) dezelfde neurotransmitters gebruiken als de stemmings-neurotransmitters. Het ligt daarom voor de hand dat de antideperessiva, zelfs aan lage dosis, dit temperamentsysteem beïnvloeden.

 

Bij slaap- en droomdeprivatie (link) ontstaat depressie, terwijl anderzijds bij endogene depressie (niet bij andere) slaapdeprivatie van bv. 1 a 2 nachten per week een gunstig effect heeft.

 

Wie zijn patiënten van nabij volgt in het begin van een medicamenteuze antidepressieve behandeling zal merken dat er zich meestal een opvallende verandering van droominhoud manifesteert, 1 à 2 weken voordat het gunstig effect van het antidepressivum duidelijk wordt. Blijft deze verandering uit, dan blijkt vaak het antidepressivum niet te zullen werken.

 

Vandaar de hypothese: één van de functies van de droom is het verwerken van frustraties. Deze verwerking is meer fantasmatisch en symbolisch dan rationeel. Door het antidepressivum verschuift het evenwicht der temperamentsfactoren om terug te keren naar het oorspronkelijk. Na voldoende lange verwerking tijdens de dromen verbetert dus de stemming.

 

De slaap, en vooral de dromen, hebben, naast het effect op het geheugen, een belangrijke psychische effect: tijdens de dromen worden de tijdens de dag opgestapelde frustraties en gemissen "verwerkt". Vandaar dat droom- en slaapdeprivatie (bv. door lange tijd te weinig te slapen, of sommige slaapmiddelen te nemen die de droom onderdrukken) snel (op enkele weken) leidt tot depressie.)

 

Het geheim van die mysterieuze twee weken (twee weken slaapdeprivatie geeft depressie, twee weken behandeling nodig voor het antidepressief effect merkbaar wordt, te vroeg stoppen van behandeling geeft recidief na twee weken) wordt verklaard door een genetisch-psychologisch fenomeen bij de zoogdieren die na een periode van twee weken, waarin de strokes uit de omgeving en de rest van de kudde onvoldoende zijn, automatsich overschakelen naar een mat "hou-je-gedeisd"-gedragspatroon om niet uitgestoten te worden door de groep. Beginnen deze strokes terug te komen (of de droomverwerking positief te zijn) dan schakelen de hersenen weer over op een meer initiatiefrijk patroon.


3. Gezinssituatie


Als de ouders vaak en/of langdurig depressief zijn, kunnen de kinderen beïnvloed zijn door meerdere factoren: (1) erfelijke depressie; (2) het opvoedkundig doorgeven van een negatieve manier van denken die kwetsbaarder maakt voor depressie; (3) het vaak geconfroneterd worden met depressies in de ionmiddellijke omgeving, zodat men gaat denken dat dit eigenlijk een beetje normaal en onvermijdelijk is, dat je je daar niet moet tegen verzetten dus.

Onderzoek: Adolescenten met depressieve ouders lopen zelf een hoog risico op depressieve stoornissen. Bij jongeren in die situatie werd een cognitieve gedragstherapie in groep [een soort denktraining dus] met een langdurige follow-up vergeleken met de gebruikelijke behandeling (met SSRI's). De auteurs concluderen dat de groepstherapie een beter resultaat gaf, dat aanhield gedurende de follow-upperiode van bijna drie jaar.

(referenties: Beardslee WR et al. JAMA Psychiatry. 2013;doi:10.1001/jamapsychiatry.2013.295)

(http://www.artsenkrant.com/artikel/13987-preventie-van-depressie-bij-risicoadolescenten-effecten-op-lange-termijn#sthash.cbO35H2h.dpuf)


VOORKOMEN

Depressies zijn de meest voorkomende psychiatrische aandoeningen, vooral onder hun "gemaskeerde" vorm. Een psychiatrische consultatie bestaat voor 90% uit depressies (een psychiatrisch ziekenhuis heel wat minder), en een huisarts heeft voor 40 tot 60 % (meestal gemaskeerde) depressieve syndromen te behandelen.


TOENEMEND AANTAL?

Het aantal depressies neemt duidelijk toe. Dit heeft meerdere oorzaken, o.a.


1) hoewel objectief de welvaart en het welzijn toenemen, nemen de prestatie-eisen ook enorm toe. Een familiebedrijf van vroeger kon zich permitteren om minder presterende werknemers in dienst te houden om "sociale " redenen. Tegenwoordig is arbeid zo zwaar belast, en de concurrentie van berdrijven die met dat soort "softe" factoren geen rekening houden zo groot, dat men zelf ook zo moet handelen, op straffe van bankroet. Onmerkbaar, steeds een stapje verder, overschrijden wij grenzen van psychische en emotionele tolerantie.


2) hoewel de objectieve welvaart is verbeterd, neemt door de media, die onrealistisch mooie en voor de massa onbereikbare droomsituaties in ons allen bewust maken, het besef van gemis en frustratie toe, ook al hebben wij het objectief beter dan vroeger. Zowel direct (aanvoelen van gemis) als indirect (de oorzaak van deze frustratie projecteren op elkaar) werkt dit frustratieverhogend.


3) de meeste depressies waren vroeger gemaskeerd. Door de toename van onze algemene ontwikkeling ontwaren de mensen nu vroeger dan voorheen bewust van hun psychisch gemis.


4) de psychische opvanggroep wordt steeds maar kleiner. In de meeste huizen leefden vroeger 3 generaties. Nu bestaan gezinnen maar al te vaak uit 2 personen: een gescheiden ouder en één ("deeltijds") kind...

 

SYMPTOMEN

Men spreekt van "gemaskeerde" depressie, als de meest typische kenmerken (droefheid) afwezig zijn. Gemaskeerde depressies zijn veel frequenter dan manifeste.

Het uiterlijk beeld van een depressie wordt bepaald door tal van factoren:

1. Na lange tijd (maanden) ziet bijna elke depressie er gelijk uit, wat ook haar beginoorzaak was.

2. Hoe meer de persoon bewust is van het bestaan van psychologische factoren (of hoe meer hij bereid is deze te aanvaarden), hoe meer duidelijke psychologische depressieve tekenen een depressie zal vertonen. Hoe minder hij daar bewust van is, hoe meer de depressie gemaskeerd is, en zich uit onder zuiver lichamelijke tekenen.

3. Hoe trager een depressie ontstaat, hoe groter de kans op maskering.


DIFFERENTIAALDIAGNOSE

Depressie kan gemakkelijk kan gemakkelijk verward worden met

    1. CVS Chronisch vermoeidheidssyndroom, zie 5380
    2. Beginfase van een psychose, zie 5013
    3. DES-syndroom

DES staat voor diëthylstilbestrol, een kunstmatig vrouwelijk hormoon.

Het werd tussen 1947 en 1976 op grote schaal voorgeschreven aan zwangere vrouwen. DES beloofde de maandstonden te doen doorkomen als men niet zwanger was, en miskramen te voorkomen, maar die belofte werd op geen enkele manier waargemaakt. Wel bleek het middel schadelijk voor de moeders en hun kinderen, en mogelijk is het ook schadelijk voor de kleinkinderen.

Dochters van vrouwen die tijdens de zwangerschap DES namen hebben een sterk verhoogd risico op (goedaardige) baarmoederhalskanker, die zich subjectief vooral uit door aanslepende vermoeidheid met als complicatie depressie.


EVOLUTIE

Een depressie kan verbeteren, gelijk blijven, overgaan in iets anders, of verergeren.

1. Verbetering: hetzij spontaan, hetzij door de behandeling. In de lichte gevallen zijn spontane genezingen zeer frequent, vooral bij reactieve depressies, doch ook bij endogene, die van nature uit slechts enkele maanden duren (maar die intussen complicaties kunnen geven, en een enorme aantasting van de persoonlijkheid veroorzaken bij herhaling).

2. Gelijk blijven: dit is zeldzaam. Veeleer zal een langdurige depressie overgaan in iets anders.

3. Overgaan in iets anders: meestal wordt een langdurige depressie een neurotische depressie, en uiteindelijk een depressieve neurose.

4. Verergeren: dit kan eindigen met zelfmoord, uitzonderlijk zelfs als de behandeling reeds begonnen is maar nog geen resultaat afwierp.