5000-5399
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

5355 ASS

AUTISMESPECTRUMSTOORNISSEN (ASS)


Opmerking: het woord 'Autisme' heeft 3 betekenissen: 

1) Een vroege vorm van psychose: totaal afgesloten van de buitenwereld, blijkbaar wel intelligent maar bijna nooit pratend.
2) Een (slechte) afkorting van de Autisme-Spectrum-Stoornissen (ASS) wordt besproken bij cerebrale contactstoornissen .
3) De oorspronkelijke betekenis: dát kenmerk van volwassen psychotici waarbij ze in een eigen, oncommuniceerbare wereld schijnen te leven. Bij schizofrenen, bij wie de waan oninvoelbaar is, valt dit het meest op. Maar ze kunnen wel goed praten en aandacht hebben voor de omgeving.
 
Doordat term 2 momenteel het meest bekend is, is hier nogal wat verwarring rond. 

De verwarring tussen 1) en 2) wordt weerspiegeld in het vroegere taalgebruik van kinderpsychiaters, die termen als “kinderpsychose”, “ vroegkinderlijk autisme”, “vroegkinderlijk schizofrenie”, “symbiotische psychose” en “autisme” door elkaar gebruikten, alsof het om verwisselbare diagnoses ging.

Het autisme (zoals bedoeld in 2) is in vele opzichten anders dan het autisme van de schizofrenie: er is geen actieve terugtrekking uit het sociale leven, maar een falen om sociale relaties te ontwikkelen; het fantasieleven is niet rijk, maar juist bijzonder arm; er is geen episodisch verloop met verbetering en terugval, zoals bij schizofrenie; en het komt zelden tot de andere symptomen van schizofrenie; meer bepaald waandenkbeelden en hallucinaties.
Die verschuiving in het denken rond autisme (zoals bedoeld in 2) vindt men weerspiegeld in (de amerikaanse) DSMIII R, die alle psychische en mentale stoornissen probeert te rubriceren, brengt kinderautisme onder bij “pervasieve developmental disorders”, terwijl kinderschizofrenie gewoon bij schizofrenie ingelijfd wordt. 

Verschillende vormen

Bij het praten over autisme, spreken we veelal over het spectrum van autistische stoornissen. De meest ernstige vorm van autistische stoornissen is autisme, klassiek autisme genoemd. Met deze benaming bedoelen we dan die vorm van autisme die door Leo Kanner (1943) werd benoemd. Hierbij zijn de belangrijkste kenmerken: extreme sociale isolatie (aloneness), drang om alles hetzelfde houden (sameness), fascinatie door bepaalde objecten en gebrekkig gebruik van taal als communicatiemiddel. Naast deze vorm van autisme vallen ook het syndroom van Rett, de desintegratieve stoornis, het syndroom van Asperger (genoemd naar Hans Asperger) en PDD-NOS, (of atypisch autisme) in het spectrum. Ongeveer een kwart van mensen met ASS (autismespectrumstoornis) hebben eveneens een mentale handicap. Daarom wordt voor autistische mensen die een IQ hoger dan 80 hebben de term HFA gebruikt, High Functioning Autism of Hoog Functionerend Autisme. De moeite in sociale interactie en het teruggetrokken zijn, maakt het vaak moeilijker om intelligentie van autistische mensen te meten. Een aantal diagnoses worden als verwant aan ASS benoemd: MCDD (Multiple complex Developmental Disorder), NLD (Nonverbal Learning Disability), beelddenken, alexitymia (geen woorden voor gevoelens) en hyperlexia (schrijven primeert boven praten).

1) Autistische Stoornis: deze term verwijst naar kinderen met significante stoornissen in sociale interactie, taal, nonverbale communicatie (zoals oogcontact en bewegingen), onecht spelen, en beperkt in hun belangstellingspatroon. Deze diagnose is minder frequent dan ASS, en komt voor bij 2-5 kinderen op 10.000. Ongeveer 75% van hen is mentaal gehandicapt, dus 25% is normaal, hoewel toch vertraagd in taal en sociaal (spel-)contact.

Sommigen gebruiken de termen ASS (ASD, PDD) en "autisme" als synoniemen.

DSM-code As I:

299 autistische stoornis

2) Asperger-syndroom: (naar dr Asperger, de Oostenrijkse arts die het probleem voor het eerst beschreef in 1944) dit zijn kinderen met ASS, zoals hierboven beschreven, maar met "normale" taal- en verstandelijke ontwikkeling. Soms spreekt men van "hoog functionerend autisme". Vroeger werden deze kinderen meestal gewoon als ASS beschouwd. Doch ze vallen op door hun sterke geïsoleerdheid en eccentriek gedrag tijdens de jeugd. Hoewel spraakkundig juist valt hun taalgebruik op door accentverschillen en repetitieve patronen. Zij zijn ook onhandig in uitspraak en grove motoriek. Hun belangstellingswereld is meestal zodanig beperkt dat normaal contact met leeftijdsgenoten moeilijk is.

De ziekte van Asperger is een minder erge variant van autisme. Beide vormen ze een subgroep van de ruimere groep der Autisme-Spectrum-Stoornissen (ASS, in Amerika PDD, Pervasive Developmental Disorder, genoemd). De meest voorkomende subgroep hiervan is PDD-NOS ("Not Otherwise Specified", Niet Nader Omschreven), ook soms atypisch autisme genoemd: hoewel ze stoornissen in het contact vertonen (in spreken, nonverbaal contact, oogcontact) zijn te sociaal en speels om typisch autistisch genoemd te kunnen worden.

Zij zijn echter vaak zeer intelligent, en munten soms uit in zeer specifieke gebieden (bv. informatica, muziek).

DSM-code As I:

299.8 pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD-NOS)

3) Anorexia Nervosa: recent onderzoek (zie pagina over Anorexie) heeft aangetoond dat bij meer dan de helft der Anorexiepatiënten er een onderliggende structuur van ASS is, die echter voor clinici en DSM-theoretici vaak verborgen bleef onder de eetstoornis. Daardoor lijden er uiteindelijk veel meer meisjes aan ASS dan men vroeger dacht, en is de veronderstelling dat ASS vooral bij jongens voorkomt een vergissing.

Enkele uitzonderlijke vormen:

1. Rett-syndroom

Deze aandoening komt enkel voor bij meisjes. Lichamelijk is er een normale pre- en perinatale ontwikkeling, maar tussen 5 en 30 maanden ontstaan er zware stoornissen in de doelgerichte motoriek, handenwringen, coördinatoestoornissen, en progressief vertraagde ontwikkeling van de schedel. Psychisch zijn er typische Aspergersymptomen.

DSM-code As I:

299.8 Retts stoornis NOS (ja, zelfde code...)

2. Jeugdige desintegratieve stoornis

zeer zeldzaam. Eerst een normale ontwikkeling, maar tussen de 2 en 10 jaar ontstaat er een progressieve onhgandigheid op vele terreinen: sociale vaardigehden, taalontwikkeling, maar ook met incontinentie.

DSM-code As I:

299.1 desintegratieve stoornis

3. Meervoudig complexe ontwikkelingsstoornis (ook MCDD naar het Engelse multiple-complex developmental disorder) is een ontwikkelingsstoornis die wordt geclassificeerd als ASS, PDD-NOS, de restgroep van pervasieve ontwikkelingsstoornissen. Het is een aparte ontwikkelingsstoornis waarbij niet alleen de contactproblemen voorop staan, maar ook problemen bij het reguleren van emoties en gedachten.

Symptomen

De symptomen die voor kunnen komen, zijn in drie groepen in te delen:

  • Problemen in de sociale omgang met volwassenen en leeftijdsgenoten. Het kind heeft weinig of geen behoefte aan sociaal contact of vermijdt dit, zeker als het contact met meerdere mensen tegelijk betreft. Er is een gebrek aan empathie, het kind heeft weinig vriendschappen met leeftijdgenoten en vertoont aanklampend gedrag bij volwassenen.
  • Problemen met regulatie van emotie en affect. Het kind is vaak angstig of gespannen. Er treden soms paniekaanvallen op. Vaak zijn de spanningen voor buitenstaanders niet te begrijpen of na te voelen. Op grond van deze symptomen ook wel omschreven als jeugdborderline.
  • Denkstoornissen. Het kind heeft problemen om fantasie en realiteit te scheiden, er zijn verschijnselen van paranoia en megalomanie, vreemd taalgebruik (neologismen, glossolalie), bizarre gedachten en 'magisch denken'. Op grond van deze symptomen ook wel omschreven als jeugdschizofrenie. Let wel: Schizofrenie op jonge leeftijd is zo zeldzaam dat de gevallen op de wereld met de hand te tellen zijn. Men zou zelfs kunnen stellen dat schizofrenie op jonge leeftijd niet bestaat omdat het brein gewoon nog niet rijp genoeg is. (Uit studies van J. Rappoport)


Behandeling

Deze is gericht op het geven van structuur, het voorkomen en dempen van de angsten en het bevorderen van de gezonde mogelijkheden en vaardigheden. Dit verschilt weinig van autisme of PDD-NOS.

DSM-code As I:

299.8 MCDD (ja, zelfde code...)

Oorzaak

Sommige onderzoekers zijn van mening dat de diverse vormen van autisme zo verschillend zijn dat er geen gelijke oorzaak aan de grondslag kan liggen (Gillberg, 1992). Globaal is men het er wel over eens dat er hersenontwikkeling (rijping) plaats vindt, die tot gevolg heeft dat de ik-anderdifferentiatie aangetast of beschadigd wordt. Hierdoor ontstaat het specifieke gedragspatroon dat op het gebied van sociale omgang ernstige gevolgen heeft, met alle gevolgen van dien. Kanner (1943) en Asperger (1944) stellen dat de andere aspecten van autisme daaraan ondergeschikt zijn. Andere theorieën vertrekken vanuit andere standpunten. Zo gaat de theorie van de centrale coherentie (Frith, 1989/2003) van het standpunt uit dat de problematiek van de sociale interactie het gevolg is van andere defecten, zoals het talig functioneren. Damasio en Maurer (1978) lieten eveneens het standpunt van het primaat van de sociale interactie los en ontwikkelden een model voor de neurologische structuur van autisme gebaseerd op enkele aspecten van autisme (motoriek, taal en communicatie, aandacht en waarneming, rituelen en compulsies). Ze baseren hun model op de vergelijking van gedrag van mensen met een autistische stoornis met gedrag van mensen met een hersenbeschadiging. In dit model speelt het idee van een defect in de dopamine-overdracht in de hersenen een belangrijke rol. Inmiddels is door de theory-of-mind (Baron-Cohen, 1989) theorie, de sociale interactie opnieuw meer centraal komen te staan. Frith (1997) geeft aan dat het probleem met de sociale interactie niet het gevolg is van de gebrekkige taal, maar juist het tegenovergestelde: de gebrekkige sociale interactie heeft gevolgen voor de ontwikkeling van de taal.

Recent(2014) hebben onderzoekers van het Centrum Medische Genetica (UAntwerpen/UZA) de genen geanalyseerd van een klein aantal patiënten. Bij 1 patiënt vonden ze een mutatie die het ADNP-gen (activity-dependent neuroprotective protein) uitschakelt. Er was nog nooit een verband gelegd tussen mutaties in dit gen en autisme. Door verder onderzoek van een groter aantal patiënten met autisme werden bij nog 9 andere patiënten mutaties in ditzelfde gen gevonden. Mutaties in ADNP kunnen aan de basis liggen van het autisme bij 0,17 procent van de patiënten. Dat maakt het vandaag tot een van de meest bekende genetische oorzaken van autisme", luidt het. "Wanneer nu opnieuw een mutatie in ADNP gevonden wordt, kan de arts meteen een diagnose stellen."

Diagnose

Op dit moment is de diagnose autisme uitsluitend gebaseerd op gedragskenmerken. Deze gedragskenmerken worden in drie clusters verdeeld, dewelke terug te vinden zijn in diagnostische lijst van de DSM-IV-TR en de lCD-IO. Diagnostiek van autisme vraagt veel creativiteit en flexibiliteit van de diagnostici. Een diagnose moet multidisciplinair gesteld worden met behulp van observaties in verschillende dagelijkse situaties zoals thuis, op school en op het werk. De verschillende symptomen kunnen (nog) niet objectief medisch gemeten worden. De diagnose is in feite niet vóór het tweede jaar betrouwbaar vast te stellen, als richtsnoer wordt een periode van dertig maanden genomen. Gillberg, Nordin en Ehlers (1996) geven aan dat signalen van autisme geconstateerd kunnen worden met achttien maanden. Gesprekken met ouders en gedragsobservaties kunnen tussen achttien en vierentwintig maanden informatief zijn. De diagnose kan echter niet eerder dan met zo'n dertig maanden gesteld worden. Voor het syndroom van Asperger is dat vaak nog later. Vroege signalen kunnen namelijk ook duiden op andere stoornissen, onder andere ernstige leerstoornissen. Met twaalf maanden lijken kinderen met leerstoornissen zelfs meer afwijkingen te vertonen dan kinderen met autisme (Happé, 1994). Met achttien maanden vertonen kinderen met een autistische stoornis problemen in de sociale ontwikkeling zonder duidelijke problemen op andere gebieden te hebben.


3. DYSCALCULIE, DYSLEXIE, DYS(ORTHO)GRAFIE

Bepaling
Een ontwikkelingsstoornis waarbij een kind slecht rekent, zonder dat er slecht odnerwijs of verwaarlozing optrad.

Is een stoornis van de linker hemisfeer, en komt vaak samen voor met dyslexie. Meer dan 20% der leerlingen is rekenzwak. Soms vermoedt men erfelijke factoren.

Symptomen
Traag werken in rekenen, verslaan van getallen bij het tellen, neiging tot tellen op de vingers, zelfs bij complexere berekeningen, problematisch geheugen bij het berekenen van sommen, afkeer van rekenen.

Traag in het leren van rekenen, en er ontstaat maar heel traag automatisering

Behandeling
individuele leerbegeleiding. Veel meer gebruiken van beloning dan bij gewone kinderen.


 


 

4. DYSEXECUTIEF SYNDROOM (DES)

Bepaling
Stoornissen met het plannen, beginnen, regelen en stopzetten van eenvoudige, dagelijkse taken.

Oorzaken
De oorzaak van het probleem ligt wellicht in de frontale hersenkwab, eerder rechts dan links. Bij een klein letsel is er eerder DES, bij uitgebreide letsels is er eerder een frontaal syndroom, d.w.z. ontremd gedrag.
Het syndroom kan zich zowel manifesteren van bij de geboorte (men vermoedt een klein hersenletsel voor of rond de geboorte), of later verworven, bv. bij een hersenbloeding (CVA), een hersentrauma (Traumatic Brain Injury, TBI), of bepaalde hersenaftakelingsziekten zoals alcoholisme en Parkinson.

Metingen
De BADS (Behavioral Assessment of the Dysexecutive Syndrome) is een goede test, en wellicht ook de BRIEF (Behavioral Response Inventory of Executive Functions) en de KEFS.

Behandeling
Er schijnen nog geen specifieke behandelingen te bestaan. Men behandelt de onderliggende oorzaak (bv. bij Parkinson: Donepezil/Aricept), en hersentrainingen (door logopedisten/foniatristen, neuropsychologen) trachten goede hersendelen versneld te trainen in het overnemen van de uitgevallen functies.



5. DYSPRACTIC COORDINATION DISORDER (Dyspraxie, DCD)

Bepaling
Een motorische ontwikkelingsstoornis die leidt tot problemen bij het plannen en coördineren van motorische handelingen.

Voorkomen

De oorzaak ligt in de hersenfunctie.

Vaak gaat dyspraxie samen met problemen met de spraak, taal, waarnemen, denken en gevoelige tastzin.

Ze komt voor bij ongeveer 2% van de bevolking.

Synoniemen

Developmental Dyspraxia, Developmental Co-ordination Disorder, DCD, Sensory Motor Disorder, Sensory Integration Dysfunction, Perceptuo Motor Difficulty, Clumsy Child Syndrome, Damp.


DSM

315.4 Onhandigheid

[bewerken]Kenmerken van dyspraxie

Slechte houding, onhandig/lomp lopen, verwarring over welke hand moet worden gebruikt, moeilijkheden met het gooien en vangen van een bal, minder goed kortetermijngeheugen, pover bewustzijn van het eigen lichaam

Gaat vaak samen met andere vormen van Minimal Brain Damage.



6. NON-VERBAL LEARNING DISORDER (NLD)

Bepaling

NLD is een niet-verbale leerstoornis, veroorzaakt door een minimale aantasting van de rechterhemisfeer.

Vaak is ze vergezeld van symptomen van ASS of Asperger (soms 80% gemeenschappelijke symptomen), omdat deze aandoeningen in dezelfde hersenregio hun oorzaak vinden.

Geen DSM-code... het is immers geen "psychiatrisch" syndroom....

Symptomen




Mensen met NLD begrijpen niet-verbale informatie -als ze die al oppakken- vaak verkeerd. Op andere momenten begrijpen zij die goed, maar weten zij niet juist te reageren, waardoor contacten leggen en onderhouden bemoeilijkt wordt. Oogcontact maken is voor sommige mensen met NLD erg moeilijk. Ze voelen zich niet op hun gemak, of ze vergeten het gewoon. Ook aangeraakt worden kan voor sommigen problemen geven. Emoties van anderen herkennen en die van zichzelf uiten levert vaak vele problemen op. Dit leidt in praktijk tot communicatiestoornissen.

Mensen met NLD zijn sterk in verbale communicatie, zij moeten het dan ook vooral hebben van verbale informatie. Als er te veel prikkels binnenkomen (zoals visuele) kan dat leiden tot verwarring. De boodschap komt dan niet goed door, en hierdoor ontstaan er vaak misverstanden. Sommige mensen met NLD nemen nauwelijks visuele informatie waar.

Ze hebben verder last met typisch rechter hersenfuncties: ruimtelijk inzicht, het herkennen van gezichten, het houden van een goed overzicht in een drukke omgeving, de weg vinden, bij wiskunde: het verwarren van X-as en de Y-as, topografie: naam en locatie van gebieden onthouden, kaartlezen, of een route weten te onthouden, de snelheid van een auto inschatten bij het oversteken.

Motorisch gezien zijn mensen met NLD zwak: houterig, slecht evenwicht, tegen dingen aanlopen, onhandig (bv schoenveters knopen)

Daardoor ontstaat er faalangst, met frustraties en agressie. Vaak interactieve vicieuze cirkels: de reacties van de omgeving (en de leraar) versterken de symptomen.


Behandeling

Geen typische. Vaak baat bij antidepressiva. Men probeert soms amfetamines, maar het effect is onduidelijk.




7. TOURETTESYNDROOM

Bepaling

Dit syndroom bevat een reeks ongecontroleerde spierbewegingen en het maken van geluiden (tics).

Dus een onbedwingbare drang bepaalde bewegingen te maken of bepaalde geluiden of woorden te uiten. Uit schaamte proberen de patiënten die vaak te verhullen. Knipperen met de ogen zal men bijvoorbeeld maskeren door in de ogen te wrijven en dan de ogen toe te knijpen.  

DSM

307.23

Historisch


Het syndroom is voor het eerst omschreven door de Franse neuroloog Gilles de la Tourette (1857 - 1904).

Diagnose


Wanneer er regelmatig minstens twee motorische tics en één vocale tic (niet noodzakelijk tezelfdertijd) optreden en dit binnen een observatieperiode van minstens één jaar, dan spreekt men van het syndroom van Gilles de la Tourette. Men kan gedurende dit jaar ook ticvrije periodes hebben, die tot drie maanden kunnen duren.

Anders omschreven wordt de diagnose 'syndroom van Gilles de la Tourette' gesteld als:

  1. Regelmatig minstens twee motorische en eventueel één vocale tic.
  2. De tics langer dan een jaar aanhouden.
  3. Andere neurologische oorzaken zijn uitgesloten.




Mensen die hieraan lijden, worden soms kortweg touretters genoemd.

5% der kidneren, en 1% der volwassenen blijken eraan te lijden.

Symptomen

De verschijnselen openbaren zich meestal tussen het vierde en elfde levensjaar. De verschijnselen kunnen na de puberteit verminderen, maar dat is niet noodzakelijk. De volgende tics kunnen al dan niet in combinatie met elkaar voorkomen:

(1) Bewegingstics, ook wel motorische tics genoemd: bv. knipperen met de ogen, grimassen, wegdraaien van de ogen, optrekken van de neus, schudden met het hoofd, schouders optrekken. Het syndroom begint vaak met onduidelijke overbeweeglijkheid.
(2) Geluidstics, ook wel vocale tics genoemd: bv. keel schrapen, kuchen, grommen, sisgeluiden, klakken met de tong, uiten van zinloze kreten, coprolalie (platte woorden), herhalen van woorden of zinnen (echolalie of palilalie)
(3) Psychiatrische zoals dwanggedachten en -handelingen op.

Soms is het Tourettesyndroom gecombineerd met ADHD, ASS. angstneurose en fobie.

Behandeling

Er is geen typsiche behandeling, buiten misschien clonidine, (Catapressan) een bloeddrukpreparaat.

Verder zijn er actief: antidepressiva en neuroleptica, uiteraard in lage dosis.

Gedragstherapeutisch kan men de tics proberen uit te doven door ze vaak bewust op te roepen.