6000-6999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

6242 Fundamenteel ZV

Fundamenteel Zelfvertrouwen


 

Inleiding

De krachtigste pijler waarop ons groeivermogen stoelt is het “Fundamenteel Zelfvertrouwen” (FZV). Dit is de voornaamste factor om optimaal te functioneren als mens.


Het zit grotendeels in het onbewuste, maar mensen met psychologisch doorzicht en zelfkennis kunnen er grote delen van beschrijven. Het is niet omdat men het kan beschrijven dat men het bezit! Het kunnen beschrijven is een onderdeel van het bewuste, het bezitten is een aangelegenheid van het onbewuste!


Omschrijving



Fundamenteel zelfvertrouwen is het geloof dat we alles aankunnen, op voorwaarde dat:

1. we voldoende lang volhouden
2. we voldoende lessen trekken uit de onvermijdelijke mislukkingen.


Nota's:

  • Geloof, d.w.z. de zekerheid voordat het bewezen is
  • Alles, tenminste datgene wat voor ons belangrijk is
  • Aankunnen (dus niet denken dat we het al kunnnen, maar het nog moeten leren, de verwachting hebben het te kunnen)
  • Leren uit de mislukkingenDeze 'mislukkingen' zijn grotendeels onvermijdelijk voor iemand die groeit, d.w.z. zich voortdurend op nieuw terrein waagt. Ze zijn dus bruikbaar, en soms nodig om het de volgende keer beter te kunnen doen.

Laat men één of meerdere elementen uit bovenstaande definitie weg, dan bekomt men een karikatuur, een vorm van arrogantie, zelfoverschatting of roekeloosheid.


De defensieve denker houdt zich voortdurend aan grenzen die hij beschouwt als veiligheidsbakens waarachter een voor hem (te) gevaarlijk gebied ligt. Hij zal dus niet groeien want alles buiten de huidige situatie is te bedreigend. De constructieve denker weet uiteraard dat er theoretische grenzen zijn, maar die liggen in de praktijk veel verder dan de gemiddelde medemens denkt. De constructieve denker weet ook dat elke grens een voorlopige grens is en dat onze grenzen altijd verder liggen dat men denkt (steeds grenzen verleggen). De ervaring leert immers dat van alle methodes om het persoonlijkheidsrendement te doen toenemen (zoals durf, ervaring, voorkennis, intelligentie, volharding, geluk) de durf om het overgangsgebied tussen het huidig niveau en de theoretische grenzen te verkennen de meest werkzame factor is. Uiteraard zijn de andere factoren niet overbodig. Want als men die verwaarloost komt men in situaties van ophitsing, manische, opwinding, roekeloosheid. Maar één ding is zeker: We kunnen veel meer aan dan we denken, het volstaat meestal erin te geloven, de stap te zetten en vol te houden bij de eerste onvermijdelijke mislukkingetjes.

 

Centraal hierbij staat een onvoorwaardelijke aanvaarding van zichzelf, dus niet gekoppeld aan “als”-zinnetjes:


Als ik eerst tien kilo minder weeg, als ik mijn cijfer gehaald heb dit jaar, als mijn huis schoon is zal ik wat rusten, ik moet eerst nog wat meer mezelf worden voor ik eventueel begin aan een relatie, als ik nog socialer ben ga ik bij dat koor, …

Synoniemen

Fundamenteel zelfvertrouwen op basis van een groeistimulerend algemeen werkelijkheidsbeeld heeft veel synoniemen: eigenwaarde, zelfwaardering, zelfbewustzijn, zelfaanvaarding, zelfrespect, primair narcisme, gezonde dosis zelfbewondering, geloof in zichzelf, positief denken, constructief denken, mentale of morele weerbaarheid…

Opmerking

FZVT lijkt een apart, op zichzelf staand begrip te zjn. Maar in feite is het gewoon een vorm van constructief denken: we zien onze echte mogelijkheden, die we (te) vaak uit voorzichtigheid onderschatten.

Waarom twijfelen wij zo vaak aan onze mogelijkheden

  1. We groeien in feite tijdens onze jeugd op als een zwakkere in een doorgaans sterkere omgeving: jarenlang worden we geconfronteerd met mensen die méér kunnen en die meer mogen (ons straffen bv.). Tijdens de puberteit gaan we daar wel tegen in verzet, maar het kwaad kan dan al lang zijn geschied. Weinigen zijn bewust bezorgd geweest over het aankweken van dit FZVT, hoewel onze ouders daar natuurlijk meestal wel instinctief naar streven. Dit wil echter niet altijd zeggen dat het lukt, want het geven van veel goede raad kan soms een omgekeerd effect hebben in de zin dat het telkens de bevestiging is van het feit dat we iets minder goed kunnen. Aangemoedigd om hogere normen te halen kan eveneens leiden tot een aankweken van een diep gevoel van insufficiëntie, dat gemakkelijk leidt tot schuldgevoelens. Het is ook zo dat we vaker gestraft worden dan beloond. Dit alles is niet bevorderlijk voor ons FZVT. De belangrijkste opvoedkundige taak van onze ouders is in feite dat ze hun kinderen een sterk FZVT bezorgen. Daardoor bevorderen ze ook sterk hun later groeivermogen. Dit alles is veel beter dan hen een zogenaamd ideale persoonlijkheid te proberen bezorgen., want als dit niet samengaat met een sterk FZVT dan is er veel groeiweerstand, zodat ze niet opgewassen zullen zijn tegen de snel veranderende levensomgeving.
  2. Het is, op korte termijn, veiliger te twijfelen aan zichzelf dan te geloven in mogelijkheden die nog niet bewezen zijn. Want als we toegeven meer aan te kunnen dan datgene waar we in slaagden, dan betekent dat ook dat we verantwoordelijk zijn voor eventuele mislukking, en dat we verantwoordelijkheden moeten opnemen die risico’s inhouden. Daarom is het veiliger om zijn grenzen niet te ver te situeren. Dit soort rem op de ontwikkeling van het FZVT wordt weerstand genoemd.
    Gebrek aan FZVT is in feite een typische redenering waarbij voordelen op kortere termijn worden verkozen boven risico’s op lange termijn, waarbij men echter betaalt door af te zien van de voordelen op langere termijn. Liever niet leren skiën dan te riskeren om er pijnlijk bij te vallen. We zoeken uitvluchten om het niet te hoeven doen, nemen liever geen risico's. Vb.Stoppen met roken, stoppen met roken is lastig op korte termijn (zien enkel de vervelende periode op korte termijn, daardoor kunnen de meesten dit niet volhouden) maar nuttig op lange termijn.
  3. Onze cultuur verzet zich tegen mensen met een te sterk zelfvertrouwen door gebruik te maken van de techniek van de negatieve omschrijving, d.w.z. een kwaliteit omschrijven als een karikatuur, om de ander (onbewust) te ontmoedigen om van die kwaliteit teveel voordeel te trekken. Onze cultuur evolueert in feite dus naar middelmatigheid. Verwijten als arrogantie, zelfingenomenheid, zich willen laten opvallen, onbescheidenheid, het altijd beter willen weten, niet sympathiek zijn, weinig aandacht hebben voor de anderen, niet beseffen dat we sommige groepsleden (bv de leiding, oudere en zwakkere leden) pijn doen door het anders (en beter) te willen/kunnen doen, egoïsme enz. worden voortdurend gebruikt om de persoon met zelfvertrouwen bewust of onbewust af te schrikken, en zijn eventuele kwaliteiten, negatief te labelen.
    We leven in een cultuur waar het als een taboe beschouwd wordt om te denken dat men dingen beter zou kunnen dan de anderen, want de anderen vinden dat niet leuk. Als je zelf vindt dat je goed bent mag dit niet door jou uitgesproken worden. Grootste taboe in onze cultuur is dat we niet bewust mogen streven naar ons eigen geluk, mogen niet geloven in onze eigen mogelijkheden. Al van in de oudheid eindigt elk Grieks toneelstuk (tragedie) met de zelfvernietiging van de held (zelfmoord of het slachtoffer worden van zijn grootse daden) omdat hij teveel hoogmoed (hubris) had. Je kan natuurlijk gebaren dat je niet zo denkt, en inwendig wél zo denken. Maar dan speel je “komedie”, en het afkeurenswaardige (de “zelfoverschatting”) zit nog steeds in jou. Het best is dus om ook van binnen eerlijk overtuigd te zijn dat anderen veel zaken veel beter kunnen dan jou, en dat er grenzen zijn die je nooit zal kunnen overschrijden. De beroemde Griekse leuze Gnôthi sauton - Ken Uzelve, die boven het orakel van Delfi stond, wordt vaak geciteerd in deze context: Vergeet je beperktheid niet, hoewel deze leuze niet noodzakelerwijze dát betekent, want ze kan ook suggereren: Vergeet je sluimerende mogelijkheden niet – Plus est en vous! Christelijke nederigheid is een naam voor deze attitude, maar ze komt even vaak voor buiten christelijke kringen, want het is een element van onze cultuur.
  4. Iedere mens heeft daarenboven een aangeboren angstniveau. Het angstniveau is de grens vanaf wanneer wij een risico te groot vinden - de grens wanneer gevaarlijk naar ongevaarlijk wordt en omgekeerd. Vb  Honden hebben een zeer hoog angstniveau (hebben snel schrik), katten daarentegen hebben een zeer laag angstniveau (durven bijna alles, hebben van niks schrik). Hoe hoger het angstniveau hoe lager het FZV, hoe lager het angstniveau hoe hoger het FZVT. Hoewel aangeboren kan dit angstniveau door heen het leven sterk gewijzigd worden, door aangename of onaangename levenservaringen, door de opvoeding, door trainingen en andere vormen van zelfbeïnvloeding, en eveneens door medicatie.
    Opmerking: Om goed te functioneren als mens mag het angstniveau niet té hoog maar ook niet té laag zijn, want anders blokkeert het vele leerprocessen. Is het te laag, dan wordt men gemakkelijk psychopaat, is het te hoog, dan durft men veel te weinig en wordt men dus gemakkelijker neurotisch.
  5. Het hebben van sterke kwaliteiten maakt het leven niet noodzakelijkerwijze leuker. Ze leiden namelijk niet zelden tot complicaties, zowel direct als indirect. Direct doordat je jezelf in situaties brengt met een groter risico (als je iets voor het eerst doet zal het eerder mislukken dan lukken), en indirect, omdat velen jou als bedreigend kunnen ervaren. Daarenboven, als je veel kan en durft krijg je voortdurend extra-verantwoordelijkheden op je schouders. Mettertijd leer je het dan wel af om jezelf naar voren te schuiven, en blijf je liever anoniem in de veilige massa. Je zult dus sterk in je schoenen moeten staan. Dingen worden steeds complexer, want de uitdagingen worden steeds groter.
  6. In onze cultuur doen vele mythes de ronde om iemands succes te verklaren door uitzonderlijke omstandigheden. Ze zouden het dus niet door FZVT bereikt hebben... Mythes zijn onjuiste redeneringen die, als men er niet te diep op ingaat, een schijn van juistheid hebben. Ze dienen meestal om weerstand te camoufleren achter verstandelijke en “juiste” opmerkingen.

Waarom zijn onze mogelijkheden doorgaans groter dan wij denken?

  1. Doordat gebrek aan FZVT zo wijdverbreid is, zal het zelden gebeuren dat men erover spreekt, zodat we meestal de grotere, “sluimerende” mogelijkheden niet vermoeden of ontdekken.
  2. Niets is volmaakt. Dat betekent dat alles beter kan. Dat betekent ook dat er altijd en overal mogelijkheden zijn tot groei, zowel in ons, in de mensen rondom ons en in de situaties rondom ons. Als er geen mogelijkheden schijnen te zijn, dan is het wellicht eerder omdat we ze niet zien dan omdat ze er niet zouden zijn.
  3. De mens heeft een schier onbeperkt leervermogen. Als we dingen beter leren doen, dan betekent dat dat we over meer mogelijkheden zullen gaan beschikken. Die mogelijkheden zitten er nu dus reeds.
  4. De mogelijkheden op allerlei terreinen nemen voortdurend toe. Dingen die vroeger niet lukten, zullen nu wellicht lukken, omdat de situatie (onze eigen bekwaamheden, fouten die we nu niet meer zullen maken, technische mogelijkheden, vooruitgang van de cultuur, enz) intussen veranderd zijn.
  5. We leven in een denkcultuur waar het leren tevreden zijn met wat men heeft als een grote kwaliteit wordt beschouwd. De invloed van een gevulgariseerde vorm van Boeddhisme verhoogt deze visie nog. Daardoor zullen velen niet gemotiveerd zijn om bestaande maar nog ongerealiseerde mogelijkheden te proberen ontdekken.

Een reizend circus had een jonge, kleine olifant. Telkens zij ergens aankwamen en hun circus opbouwden, stelden zij de kleine olifant te kijk, om volk aan te trekken. Zij bonden hem echter met een ketting aan een kleine staaf, die in de grond geslagen was. Telkens de kleine olifant aan de ketting trok, voelde hij dat hij vast zat en niet verder kon. Daarom rukte hij mettertijd nooit meer aan die ketting. Vele jaren later, toen die olifant groot en zeer sterk geworden was, werd hij nog steeds met die ketting aan diezelfde staaf vastgemaakt. Hoewel één stevige ruk nu wellicht zou volstaan hebben om de staaf los te trekken, had hij nog steeds het geloof dat hij niet sterk genoeg was, en deed het dus ook niet.


Het belang van het fundamenteel zelfvertrouwen

Het is een zeer belangrijke eigenschap, die aan de basis ligt van nog andere essentiële persoonlijkheidskenmerken dan alleen maar het groeien. Onder de verschillende toepassingen willen we er vier kort benoemen:


1. de intelligentie. Hoewel nog andere factoren, zoals de organische ontwikkeling van de hersenschors, die bepaald wordt door onder meer voeding en erfelijke factoren, ook een rol spelen, heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat alle hoogbegaafden, ongeacht hun karakter, als kind blijk geven van een veel groter dan gemiddeld zelfvertrouwen, minstens op enkele belangrijke gebieden van hun persoonlijkheid. Dit zelfvertrouwen kunnen ze later door de slagen van het leven wel eens kwijt geraken, maar het is er zeker eens geweest, en juist tijdens deze periode heeft de intelligentie zich het snelst ontwikkeld. Dit voorbeeld kan dit illustreren.

Karel en Pieter waren twee kleine jongetjes van ongeveer dezelfde leeftijd. Karel had een klein beetje meer fundamenteel zelfvertrouwen dan Pieter, maar beiden kenden niets van elektriciteit. Op een dag waren ze bij het vallen van de avond samen alleen in het huis, en de zekering sprong, zodat ze in het duister zaten. Hoewel ze niets kenden van elektriciteit wisten ze, uit ervaring, dat hun vader of broer dit oplosten bij een paneel naast de voordeur. Ze gingen naar dat paneel kijken. Pieter dacht “Van elektriciteit ken ik niets, buiten het feit dat het levensgevaarlijk is als je eraan komt, dus ik kan dat probleem niet oplossen”. Karel dacht “Als mijn grote broer dat kan kan dat zeker zo moeilijk niet zijn” en keek aandachtig naar het paneel. Hij merkte dat tussen de vele schakelaartjes die naar boven wezen, er eentje was dat naar beneden wees. Hij duwde het om, en zie, het licht brandde weer. Uit deze ervaring leerde Pieter: “Zie je wel dat ik daar niets van ken. Karel kan altijd alles veel beter dan ik.” Karel leerde daaruit: “Als je even goed kijkt en nadenkt vind je wellicht wel de oplossing voor iets dat je nog nooit opgelost hebt. Als anderen het kunnen, dan kan ik het ook.


2. psychische gezondheid. Het valt psychiaters en psychotherapeuten op dat zo goed als alle psychiatrische afwijkingen, zoals depressie, obsessie, hysterie, psychosomatische stoornissen, communicatie- en relatiestoornissen, en zelfs zwaardere afwijkingen zoals schizofrenie en paranoia uiteindelijk berusten op een gebrek aan fundamenteel zelfvertrouwen, waardoor het probleem enerzijds kon ontstaan, en anderzijds minder kansen krijgt om spontaan te herstellen. Dit gebrek bestond reeds vóórdat het probleem ontstond, maar het wordt door de ziekte-ervaring uiteraard nog erger. De therapeut moet daarom niet alleen het probleem behandelen, maar ook proberen om dit onderliggend gebrek aan fundamenteel zelfvertrouwen op te lossen.


3. kunnen genieten. Om ons gelukkig te voelen moeten we niet alleen wenselijke dingen kunnen realiseren, maar ook genieten van de dingen die we gerealiseerd hebben. Anders is de realisatie-inspanning overbodig, en daarenboven houden we het niet vol op langere termijn. Het blijkt nu dat alleen mensen met een voldoende fundamenteel zelfvertrouwen echt kunnen genieten, want de anderen zullen de onvermijdelijke tekorten en nog overblijvende taken steeds als storend ervaren, en dus niet echt kunnen opgaan in de schoonheid van hun levenssiuatiePerfectionisme is één van de grootste stressfactoren.


4. geluk hebben. De ervaring leert dat mensen die geloven dat er meer mogelijkheden schuilen in zichzelf en in de situatie waarin ze zich bevinden, op het eerste gezicht meer geluk hebben. Dit is te verklaren doordat die mogelijkheden dichter binnen hun bereik komen (denk aan de groeicurve uit de eerste les), doordat ze er meer naar uitkijken en dus sneller zien, en er ook durven instappen. Anderzijds is strikt wetenschappelijk al vaak bevestigd dat personen die bijgelovig zijn, die dus vaker denken aan mogelijke complicaties en daardoor ongebruikelijk veel voorzorgen nemen, veel meer ongelukken en tegenslagen hebben dan de doorsnee-bevolking. Vandaar de –wetenschappelijk bewezen- uitspraak:

Ik ben niet bijgelovig, want dat brengt ongeluk met zich mee.

Enkele mythes rond fundamenteel zelfvertrouwen

  • Is fundamenteel zelfvertrouwen hetzelfde als sociaal zelfvertrouwen?


Neen. Hoewel beide fenomenen uiteraard vaak samen voorkomen en elkaar wellicht versterken, kunnen ze ook erg verschillend zijn. Immers, fundamenteel zelfvertrouwen heeft een positieve invloed op de ontwikkeling van vele andere persoonlijkheidskwaliteiten, maar niet noodzakelijk op alle. Anderzijds kan sociaal zelfvertrouwen vaak een overcompensatie zijn voor een gebrek aan fundamenteel zelfvertrouwen.


We kennen allemaal “beren met een grote mond en een klein hartje”, zoals we ook originele kunstenaars en uitvinders kennen die onverstoorbaar door alle mogelijke kritiek hun eigen artistieke of wetenschappelijke weg gaan, maar in groepsverband erg schuchter zijn, en bv. niet in staat zijn om hun kunst of uitvinding te bespreken. Mooie vrouwen, die de indruk geven zelfvertrouwen uit te stralen, twijfelen diep in zichzelf vaak meer aan zichzelf dan “gewone” vrouwen.

  • Is overdreven zelfvertrouwen wel logisch verantwoord?

Immers, de gedachte dat men “alles aankan, op voorwaarde…” lijkt, logisch gezien, onverantwoord. Fundamenteel zelfvertrouwen is echter geen vorm van logisch, statistisch verantwoord denken, maar van rationeel denken. Dit is een manier van denken die zich in de eerste plaats afvraagt of een gedachte wel nuttig of leuk is, en pas daarna of zij logisch verantwoord is.


Zo is het logisch zeer verantwoord om voortdurend te denken aan de dood, die voor elk van ons onvermijdelijk is, of aan de oorlog in Irak die op 2500 km van ons plaatsgrijpt. Maar deze gedachten werken verlammend en leveren niets op. Ze zijn logisch juist, maar het is irrationeel om eraan te denken. Anderzijds is het nuttig om in een probleem al onze aandacht te concentreren op de mogelijkheden die wij nog hebben, ook al zijn deze schaars en statistisch weinig verantwoord. Want hoe meer we eraan denken, hoe meer kansen we hebben om eruit te geraken. Het is onlogisch, maar rationeel.


  • Is een sterk fundamenteel zelfvertrouwen geen arrogantie?


Neen. Men komt slechts over als arrogant als men een negatieve boodschap uitstraalt naar de anderen. Als men naast een groot zelfvertrouwen ook een positieve boodschap uitstraalt naar de anderen, dan komt dit zelfvertrouwen stimulerend en vertrouwenschenkend over bij de anderen, omdat het hun veiligheidsgevoel vergroot. We bespreken dit verder bij weerstand.


  • Maakt een sterk fundamenteel zelfvertrouwen niet blind voor kwaliteiten van anderen?


Neen, ook dit is een klassieke misvatting die uitgroeide tot een mythe. Ze gaat ervan uit dat als men zichzelf niet te groot vindt, men meer oog kan krijgen voor de grootheid van de anderen. Dit lijkt zo, maar eigenlijk is het dieptepsychologisch precies andersom: wie twijfelt aan zichzelf beleeft de kwaliteiten van anderen als bedreigend en als bewijzen voor het eigen onvermogen. Hij zal dus zeker niet geneigd zijn om die kwaliteiten van anderen uitdrukkelijk te bewonderen, laat staan over te nemen, want dit zou een te groot bewijs voor de eigen minderwaardigheid zijn. Maar wie overtuigd is van zijn eigen waarden zal steeds op zoek zijn naar groeimogelijkheden en –voorbeelden. Het ontdekken van andere kwaliteiten die hij zelf nog niet heeft boeit en motiveert hem om ze te bewonderen en over te nemen. Ook het uiten van bewondering komt dan niet meer bedreigend over.


  • Bestaat er 100% fundamenteel zelfvertrouwen?


Neen. Een fundamenteel zelfvertrouwen wil zeggen dat de kans, dat men negatieve of bedreigende ervaringen in een positieve uitdaging weet te verdraaien, groot is. Het is geen kwestie van alles of niets. Als iemand met een sterk fundamenteel zelfvertrouwen ondanks alles uit het lood wordt geslagen, dan zal de tijd dat het duurt om zich te herpakken wellicht korter zijn.


Hoe ontstaat fundamenteel zelfvertrouwen?

Normaal is het fundamenteel zelfvertrouwen een product van de opvoeding. Het kan gelukkig ook op latere leeftijd bijgebracht worden.


1. Opvoeding. De normale manier om voldoende fundamenteel zelfvertrouwen op te slaan voor de rest van het leven ligt in de opvoeding. Vooral de eerste levensjaren zijn belangrijk, zelfs vóór het kind kan praten. Het gaat namelijk niet om woorden en begrippen, maar om belevingen, om onbewuste interpretaties. De boodschap die de ouders moeten overbrengen is deze vanonvoorwaardelijke waardering. Immers, als men waardering bindt aan een voorwaarde, beweert men eigenlijk het tegendeel van waardering.


De boodschap van onvoorwaardelijke waardering wordt gemakkelijker overgebracht in een exclusieve kind-moederrelatie, dan bv. bij tweelingen en bij kinderen, opgevoed in pedagogische centra, bv. de sovhkozen bij de communisten, en de kibboetzim in het jonge, socialistische Israël. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat bij deze kinderen veel meer emotionele stoornissen bestaan.


Tegen je kind zeggen: “als je goed studeert, dan vind ik je heel knap” betekent eigenlijk zoveel als “zoals je nu bent vind ik je niet goed”.

Het kind moet vaak, en vooral op consequente manier, van de ouders de boodschap krijgen dat die hem heel knap vinden, superieur, uniek. Het moet vooral blijken uit het gedrag (vertrouwen, au sérieux nemen in gesprekken, de vragen ernstig opnemen, ter beschikking zijn, laten voelen en kunnen toegeven dat men het kind ook nodig heeft, enz.). Dat wil niet zeggen dat er geen grenzen zijn, maar dat men bij het aangeven van een concrete grens wel ruimte geeft aan de onderliggende behoefte.


2. Therapie. Rogers ontwikkelde de techniek van de empathie d.w.z. een manier van actief luisteren, waarbij men op delicate manier onderscheid maakt tussen de onderliggende behoefte en mogelijkheden, die men principieel goedkeurt en hoog inschat, en de concretere vorm, waar men niet bij stilstaat omdat ze onaangepast of bijkomstig is. De cliënt ervaart soms voor de eerste keer in zijn leven dat iemand hem volledig ernstig neemt en onvoorwaardelijk naar hem luistert. Dit is dan vaak een aangrijpende ervaring, tegelijkertijd de opperste veiligheid om zichzelf kritisch te bekijken en de grootste stimulans om er iets aan te doen. De humanistische psychologie werkt dus cliënt-centered en legt de nadruk op luisteren en niet op sturen. De voorwaarden voor empathie zijn onvoorwaardelijke emotionele waardering, authenticiteit (echtheid) en aandacht. Hier tegenover staat het behaviorisme dat gedragsgericht werkt.


Elke therapie bevat dit ingrediënt. Soms is de therapie niets meer dan dat en eigenlijk al voldoende vermits de cliënt meestal het probleem zelf zou kunnen oplossen en de nodige groeiprocessen voltrekken als hij wat meer fundamenteel zelfvertrouwen zou hebben.


“Ik ga mijn vent vermoorden, denk ik” zei Magda in het begin van de therapeutische sessie. De psychotherapeut antwoordde: “ik voel dat je vandaag een grenzeloze woede voelt tegenover je man”. Hij maakt dus niet de naïeve fout om te zeggen: “dat zou ik niet doen, dat is wettelijk verboden", want dat zou een afkeuring zijn van haar dieper liggend gevoel van twijfel aan zichzelf. Hij wil ook vermijden dat de indruk versterkt wordt dat haar negatieve gevoelens een constant gegeven zijn, en dat er maar één gevoel bestaat jegens haar man.

Hoe bewaart men fundamenteel zelfvertrouwen?

1. Een goede relatie is ook één der meest werkzame methodes om terug een goed FZV te krijgen, of om het bestaande te onderhouden. Voorwaarde is wel dat de partner een echte bewonderende liefde voelt en toont voor de andere persoon. Zeer belangrijk daarbij is goede communicatie, zoals we later gaan bespreken.

2. Rationele zelfevaluatie (bij frustraties)


Inleiding

De meeste mensen staan, bij het evalueren van zichzelf, voor een moeilijke keuze:

  1. ofwel zien de fouten en onvolmaaktheden bij hetgeen ze gedaan hebben. Dit is nuttig om het de volgende keer beter te doen, maar verbrodt het plezier om wat men gerealiseerd heeft
  2. ofwel zijn ze heel fier en gelukkig met wat ze gedaan hebben, maar zijn ze blind voor de eventuele onvolmaaktheden, en leren er dus niets uit.
Er bestaat echter een methode om de voordelen van beide attitudes te integreren, m.a.w. toch bewust zijn van de mogelijkheden om het de volgende keer beter te doen, en desondanks een zeer positief zelfbeeld en fierheid bewaren over wat men heeft gerealiseerd. Dit heet rationele zelfevaluatie.

Bepaling
Rationele zelfevaluatie is een manier van kijken naar zichzelf, waarbij men de zogenaamde fouten en gebreken niet negatief ziet, d.w.z. niet als bewijzen voor de eigen minderwaardigheid, maar als groeikansen, d.w.z. als inspiratie om het in de toekomst nog beter te doen. Men splitst de evaluatie dus op in twee zaken: voor de vraag hoe het nog beter zou kunnen beantwoordt men door het te vergelijken met het ideaal; de vraag hoe goed men zelf heeft gepresteerd beantwoordt men door zichzelf te vergelijken met vroeger, of met anderen in vergelijkbare situaties. Men koppelt deze twee vragen niet aan elkaar.


Omschrijving


Men moet de eigen prestaties dus positief evalueren: niet "nog niet volmaakt", maar "al tien procent beter dan de vorige keer".


Tot de rationele zelfevaluatie behoort ook het besef van het nut van frustraties. Hoewel we frustraties uiteraard zoveel mogelijk vermijden zijn ze tot op grote hoogte onvermijdelijk. Ze zijn echter ook, naast een bron van inzicht, een stimulans tot groei. Wie gefrustreerd wordt wil revanche nemen, d.w.z. vroeg of laat aantonen dat hij het toch kan! Het meest frappante daarbij is hetpropulsie-effect (= vooruitstuweffect). Dit is het fenomeen dat iemand dank zij een frustratie veel verder komt dan hij zonder frustratie ooit zou gekomen zijn.


Jef was ergotherapeut in een klein provinciaal revalidatiecentrum. Hij ontdekte een grote administratieve fraude, en legde klacht neer uit zelfbescherming want zijn handtekening werd frauduleus gebruikt. Het centrum ging over kop, en iedereen werd ontslagen. Er werd echter in hetzelfde gebouw een nieuwe VZW gesticht, en iedereen werd weer aangenomen, buiten Jef. Hij was enige maanden werkloos. Intussen solliciteerde hij, en het bleek dat zijn talen- en organisatietalent veel groter waren dan ooit in het centrum waar hij eerder werkte zou tot uiting gekomen zijn. Twee jaar later was hij directeur van een belangrijke opstartende farmaceutische firma. Zijn niet-ontslagen collega’s waren nog steeds ergotherapeut in hetzelfde centrum.

Opmerking


Deze training tracht eigenlijk paradoxale kwaliteiten bij je te installeren. Paradoxale kwaliteiten zijn kwaliteiten die elkaar doorgaans uitsluiten zonder dat dat eigenlijk zou moeten, want ze spreken elkaar ogenschijnlijk tegen. De opvoeding maakt het immers weinig waarschijnlijk dat ze samen ontwikkelen, want een opvoeding die bv. sterk aanstuurt op orde en methode, zal weinig aanmoediging bieden voor ongestructureerde creativiteit, en omgekeerd. Enkel als kwaliteiten ontstaan op basis van groei en fundamenteel zelfvertrouwen, sluiten ze elkaar niet uit, omdat men zelf, telkens in de geschikte omstandigheid, voor hun ontwikkeling zorgt. 

 
3. Zelfbeïnvloeding


We hebben gezien hoe beïnvloedbaar het onbewuste is als we maar enkele voorwaarden respecteren. Nu blijkt dat het fundamenteel zelfvertrouwen heel gemakkelijk op te wekken is door, met een goed basisgevoel, bepaalde denk- en belevingswijzen een eindeloos aantal keren te herhalen in onze verbeelding…


Ook door Autogene training kan je het FZVT aanleren.


4. Het gewoon doen: rolsoepelheid, durf, doorzettingsvermogen


Soms is het zoeken naar doeltreffende methoden om iets te leren een vorm van tijdverlies. Het is een weerstand. Het vraagt immers veel minder energie als we het gewoon doen. Zo is er geen methode om probleemloos in een zwembad met koud water te komen. Erin springen is de kortste pijn.


Dit principe vindt vooral toepassing in het proberen aanleren van rolsoepelheid. De oefeningen die we hebben laten doen tot nog toe hebben, naar wij hopen, aangetoond dat de beste methode om deze fundamentele kwaliteit aan te leren gewoon is: het te doen. Hetzelfde geldt voor de kwaliteiten durf en doorzettingsvermogen. Gewoon doen alsof je die kwaliteit al had is de beste manier.