6000-6999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

6350 Integreren

Integreren


INLEIDING  

Tijdens de inspiratiefase verzamelt de mens tal van ideeën. Sommige daarvan zijn combineerbaar, andere niet. Dit laatste geval doet zich vaak voor. Men spreekt dan van een conflict. Buiten conflicten van ideeën zijn er in het leven ook vaak conflicten tussen doelstellingen, verlangens, strevingen. Conflicten kunnen bestaan tussen verschillende mensen, maar evenzeer binnen onze eigen geest, dus binnen één persoon.

Integreren is niet automatisch onze standaard wijze van denken daar we in een cultuur leven waar 'keuzes maken' beschouwd wordt als een kenmerk van volwassenheid. Iets dat bij het leven hoort.
 

Het oplossen van conflicten kan op verschillende manieren gebeuren. De vaardigheid daartoe kan als één van de belangrijkste van het leven beschouwd worden. Er zijn een drietal fundamenteel verschillende methodes van conflictoplossingen: kiezen, een compromis uitwerken, integreren. De eerste is de meest toegepaste, maar de slechtste. De derde is de beste, maar de moeilijkste, en daarom de minst toegepaste.

We gaan deze drie methodes nu één voor één bespreken.


Voor de geschiedenis van het integratieve denken: zie 2310

1. KEUZE OF SELECTIE

PRINCIPE


Bij de selectie of keuze beperkt men zich tot één der bestaande mogelijkheden, één der aangeboden alternatieven. Tussen verschillende mogelijkheden wordt er één mogelijkheid als goed bevonden, terwijl men de andere naast zich neerlegt of niet weerhoudt. Het keuzeprobleem, het conflict wordt opgelost door slechts één alternatief over te houden. Om dit te bepalen, neemt men, als individu bv. het aantrekkelijkste, het gemakkelijkste, het dringendste, datgene wat men gewoon is, of datgene waarvan bewezen kan worden dat het het goede of minstens het beste is; in groep kiest bv de baas, de meerderheid, de sterkste, de welbespraaktste, al dan niet na discussies waarin men voor elkaar logisch tracht te bewijzen wat het beste of “juiste” is.



 
Keuzes maken is de makkellijkste manier maar tevens de slechtste.
Onze huidige cultuur is wat dit betreft een zeer sterk neurotische cultuur van keuze's. Men kan stellen dat elke psychische ziekte een gevolg is van keuze(s) met slechte gevolgen op langere termijn. Dit omdat inherent aan een keuze is het verlies van het 'niet gekozene' alternatief. 
Eveneens in de geschiedenis zien we vele voorbeelden waaronder bijvoorbeeld het Christendom.
 
 

UITGANGSPUNTEN


Het aanwenden van de keuze als denkmethode berust op enkele, meestal onbewuste en/of onuitgesproken, werkhypothesen:

  1. Tussen de aangeboden alternatieven bevindt zich de goede oplossing
  2. Slechts één oplossing kan de goede zijn. Er kunnen geen twee goede oplossingen zijn. Alle andere zijn dus slecht. De juistheid van de ene bewijst trouwens de onjuistheid van de andere. Het enige wat we moeten doen is dus “de juiste vinden”, de juistheid van één alternatief aantonen.
  3. De goede oplossing heeft in principe alleen voordelen. Slechte oplossingen hebben alleen maar nadelen. Als dat niet zo is, dan is daar helaas niets aan te doen, en “moeten we van ons hart een steen maken”.


Bovenstaande uitgangspunten, de “werkhypothesen” van de selectieve denkmethode, zijn alle drie uiteraard onjuist, hoe verleidelijk ze ook zijn:


(1)Tussen de verschillende alternatieven bevindt zich hoogst waarschijnlijk het goede niet. Dit is namelijk precies de reden waarom een keuzeconflict ontstaan is. Mocht één der mogelijkheden alle voordelen bieden, dan was er wellicht nooit een keuzeprobleem ontstaan, en iedereen zou onmiddellijk eensgezind weten wat te kiezen. Het feit alleen al dat men twijfelt tussen twee of meerdere mogelijkheden, bewijst al dat de goede oplossing zeker niet aanwezig is tussen de alternatieven. Kiezen is dus verliezen.
 
(2) De illusie dat slechts één oplossing de goede kan zijn is uiteraard zeer verleidelijk.
Want dan zou het probleem zonder noemenswaardige inspanningen kunnen worden opgelost. In feite voelt men vaak aan dat het aanvaarden der consequenties van sommige alternatieven noodgedwongen tot groeiinspanningen zal leiden, hetgeen men om psychologische redenen liefst vermijdt. En dan zijn er nog de inspanningen van het integratieproces zelf. Die zullen we later bespreken, maar ze zijn in elk geval op korte termijn niet aantrekkelijk voor wie het niet gewoon is.
 
(3) De veronderstelling dat de goede oplossing gekenmerkt zal zijn door het hebben van uitsluitend goede gevolgen, en dat de “slechte” oplossing enkele negatieve kenmerken zal hebben, is al een even grote verleidelijke illusie als de vorige. Vermits het in de praktijk nooit zo is, staat de persoon die liever een keuze maakt dan een integratie mettertijd meestal voor de moeilijke en onaangename opgave om veel zaken te verdringen of weg te rationaliseren.

WERKWIJZE


De vraag is: hoe stellen we onszelf gerust over het feit dat één alternatief het goede is, en hoe kunnen we de ander overtuigen van de juistheid van één alternatief? Bewijsvoering, elkaar overtuigen met argumenten, het in twijfel trekken van de competentie of het oordeelsvermogen van de andere, het gebruik van gezagsargumenten, al of niet emotionele chantage en manipulatie zijn klassieke methodes om de ander te overhalen. Zijn de anderen niet overhaalbaar, dan rest nog de “democratische” beslissing, zijnde de verdrukking van de mening van de minderheid door de mening van de meerderheid.


VOORBEELDEN


Op individueel vlak worden er heel vaak keuzes gemaakt, telkens de persoon geconfronteerd wordt met moeilijk te verzoenen alternatieven, zoals de beroepskeuze, het kiezen van een partner, het later oplossen van conflicten in een relatie, het kiezen tussen de partner en een buitenhuwelijks relatie, het kiezen tussen een geslaagde beroepscarrière en een goed huwelijk, enz... Slechts een minderheid slaagt erin originelere levensvormen te ontwikkelen, waarbij zij in staat zijn zaken te verzoenen die voor de meeste mensen statistisch onverzoenbaar blijken te zijn. Deze groep heeft het echter niet gemakkelijk. Integraties zijn namelijk even moeilijk als koorddansen, en moeilijkheden en ontgoochelingen blijven meestal niet uit.

Op het gebied van menselijke samenwerking zijn hiërarchisch gezag en democratie de meest populaire vormen van een beslissingssysteem via keuze. In de democratische groepen heeft men de illusie dat men kan participeren aan de beslissing, omdat men zijn stem kan uitbrengen, de eigen vertegenwoordigers of de machthebbers kiest. Soms verhindert een contract dat men tegen deze denkmethode verzet, want de basis van elk contract is de voorwaarde dat de ondergeschikte doet wat de overste voor hem beslist.


Desondanks zijn de meeste menselijke groepen niet duurzaam, zoals vriendenkring, professionele samenwerkingsverbanden (althans niet op het niveau waar zich veel dynamische mensen bevinden). Ook intieme relaties blijken niet duurzaam te zijn. De statistieken geven aan dat binnen de 10 jaar meer dan de helft mislukt is, met een gemiddelde probleempiek rond 7,5 jaar.


VOORDELEN


Het grootste voordeel voor het individu is dat hij, geconfronteerd met de complexiteit en de moeilijkheden van zijn leven, zelf geen noemenswaardige groeiinspanningen moet doen om het probleem op te lossen. Selectie vereist van het individu geen creativiteit. Hij gaat gewoon langs één der wegen die voor hem open schijnen te liggen zonder zelfs met bijl en mes een nieuwe weg te banen. Een groot voordeel bij de meeste keuzes is ook, dat men eigenlijk niet goed beseft wat men mist, vermits men de andere mogelijkheden doorgaans niet geprobeerd heeft. En vermits wij daarenboven de psychologische neiging hebben om datgene wat we hebben op te hemelen, en datgene, wat we moeten missen in onze geest af te breken en de confrontaties ermee in de toekomst te vermijden, worden vele negatieve consequenties van de keuze dragelijk.


Ook voor de groep heeft de selectiemethode twee belangrijke voordelen:

  1. Het praktisch voordeel dat het snel kan gaan, omdat het niet veel denk- of communicatiewerk vraagt. Bv. leger, dringende situaties, bedrijf (als er gepraat wordt, wordt er intussen niet gewerkt).
  2. Het psychologisch voordeel, dat de sterkste persoon of groep zijn zin kan doen. De sterkste of winnende partij voelt er zich uiteraard heel goed bij, en wie minder gelukkig is kan door zijn zwakkere positie de meerderheid en/of het geheel niet gemakkelijk schaden.

 

In principe kan men straffeloos kiezen zolang er zich geen problemen voordoen en er geen concurrenten op het toneel verschijnen. Op korte termijn is het dan ook de gemakkelijkste en daarom vaak succesvolle oplossingsstrategie. In onze cul;tuur wordt "kunnen kiezen" soms zelfs beschouwd als een teken van geestelijke volwassenheid.
 

NADELEN


Een eerste negatief gevolg van de selectieve denkmethode is, dat men bijna altijd waardevolle dingen overboord gooit, en belangrijke dingen verdringt, dus (een stuk van) zichzelf geweld aandoet, of sommigen van de groep geweld aandoet. In de praktijk betekent keuze steeds een verlies (kiezen is verliezen), en er ontstaat een spanning, die men zal trachten te verdringen of de kop indrukken. Dit kost meestal enorm veel (nutteloze) energie.


Daarenboven zullen de verdrongen behoeften zich vroeg of laat bijna steeds manifesteren, hetzij direct (bv. doordat het probleem steeds weer aan de oppervlakte komt), hetzij – wat frequenter is – indirect door reacties als ontmoediging, misnoegdheid, frustratie, demotivatie en rendementsverlies, en eventueel zelfs psychosomatische symptomen als astma, maagzweer, migraine, vermoeidheid, onverklaarbare angstaanvallen, enz. Psychologisch gesproken kunnen we daarom gerust stellen dat 'of...of...'-vragen steeds verkeerd zijn. Het moet meestal 'en...en...' zijn.


Een ander nadeel op langere termijn is dat het individu, of groep die keuze hanteert als denkmethode, stagneert, dus weinig of niet meer groeit, omdat nieuwe ideeën in den beginne steeds de overtuiging van een minderheid zijn, of (in het geval van één en dezelfde persoon) als een geïsoleerde twijfel. De democratische groep zal dus mettertijd achterop geraken, met alle mogelijk complicaties van dien: verlies in de concurrentie met dynamischer of jongere groepen, of inwendige spanningen omdat de betrokken medewerkers meer en meer aanvoelen dat het beter zou moeten en kunnen gaan.


Individuen die sterk selectief denken komen meestal terecht in psychopathologische toestanden. Zowel depressies als tal van neurosen spruiten voort uit de poging om moeilijk te bevredigen behoeften – die in de keuze weinig of onvoldoende kansen krijgen – naar het onbewuste te verdringen, van waaruit zij echter storend blijven nawerken. In feite zouden we elke psychiatrische stoornis kunnen beschouwen als een op het eerste gezicht geslaagde keuze, die mettertijd echter leidt tot nadelige complicaties. Een psychose is een poging de bedreigende werkelijkheid buiten ons bewustzijnsveld te houden door in een waanwereld te gaan leven. Een neurose is een keuze tussen de eigen behoeften en de beperkingen en vereisten, gesteld door de omgeving. Dit conflict tracht men op te heffen door één van beide factoren te verdringen: vooral bij de orale, maar ook bij de fallische neurosen verdringt men veel van de eigen waardevolle behoeften om beter in (schijn-)harmonie te kunnen leven met de verwachtingen van de omgeving. Bij de anale neurose, de verzetsneurose, stelt men zich agressief op tegen de omgeving, en verwerpt men die uiteindelijk, om het eigen belang te kunnen vrijwaren.


De nadelen voor de groep worden vaak een tijdlang afgeremd door het feit dat de autoritaire structuur ook geen concurrentie d.w.z. vrij experiment toelaat (bv binnen de katholieke kerk, binnen het communistisch regime), ofwel door het feit dat achteruitgaande groepen mettertijd vervangen worden door betere, “modernere”, die over betere werkmethoden beschikken, bv. een ouderwets bedrijf gaat failliet, en andere, modernere bedrijven nemen de open gekomen plaatsen in. Het tragische is dat ook deze nieuwe bedrijven autoritair zijn gestructureerd, zodat ze mettertijd zelf ouderwets worden, en vervangen door modernere concurrenten. Slechts weinig bedrijven zijn zo goed georganiseerd qua besluitvormingssysteem dat ze mee kunnen groeien met de veranderde tijden en mogelijkheden.


Soms kunnen bestaande autoritaire systemen lang meegaan, maar dan kennen ze wel van tijd tot tijd een “crisis”, een “hervorming”, een “revolutie”, d.w.z. het brutaal opspringen naar een hoger werkniveau. Zo kunnen ze toch lange tijd meegaan ondanks het feit dat ze selectief denken.


FANTASMATISCHE ONDERSTEUNING


Men voelt halfbewust meestal wel aan dat men iets belangrijks kwijt is, dat kiezen wellicht verkeerd is, en zal dit psychologisch trachten goed of aanvaardbaar te maken, door mooie principes (mythen) als “je moet kunnen kiezen in het leven”, “kunnen kiezen is een kenmerk van geestelijke volwassenheid”, “de wil van de meerderheid”, “je kan niet iedereen plezier doen”, “eerbied voor het gezag”, “de deugd der gehoorzaamheid”, ”je moet kunnen kappen”, en men goochelt met simplistische categorieën als “goed en kwaad”. Van meer geëvolueerde oplossingsmethodes zegt men dat ze niet haalbaar zijn, irrealistisch, “niet op grote schaal toepasselijk”, te veel tijd vergen, te lastig”, “om steeds met alles rekening te moeten houden”, enz.


Een psychologische techniek die spontaan veel gebruikt wordt is het uitstellen van de keuze, waardoor er ofwel conflicten ontstaan zodat men psychologisch aangemoedigd wordt om te kiezen, ofwel dat de anderen kiezen voor jou. Bv. als men lang twijfelt tussen twee partners zal wellicht vroeg of laat één van beiden zich terugtrekken zodat de keuze niet meer nodig is.
 

Bij conservatieve keuzes helpen fantasmen als: “ik wil de waarden die ik heb niet in de weegschaal zetten”, “liever één vogel in de hand dan tien in de lucht”, “ik ga dat niet aankunnen”, “ik ga mijn vroeger gemaakte keuze trouw blijven”, enz.

2. COMPROMIS OF COMBINATIE

PRINCIPE


Hierbij tracht men, zo goed en zo kwaad als het gaat, een combinatie te maken van elementen uit de verschillende mogelijkheden, of minstens van de meest conflictueuze aspecten van de verschillende alternatieven. Dit als het onmogelijk is te kiezen, bv. omdat de standpunten of groepen bijna even sterk zijn, omdat de onderliggende behoeften niet kunnen verdrongen worden, of omdat het ideaal niet haalbaar is.
 


Het idee van de combinatie van aspecten lijkt op het eerste gezicht aantrekkelijk en zou bevredigend zijn, ware het niet dat men in de praktijk meestal niet de essentieelste kenmerken tot elkaar brengt, maar deze die het meest opvallen, omdat ze meetbaar zijn, of omdat ze voor één der partijen psychologisch zo belangrijk zijn.


UITGANGSPUNTEN


Men veronderstelt dat de meeste opvallende aspecten van een probleem, of die aspecten waar de andere psychologisch het sterkst schijnt aan te houden, de belangrijkste zijn.


Men veronderstelt dat de “ideale” oplossing ergens in het midden ligt tussen de uiteenlopende standpunten, en ondersteunt dit dan ook met uitspraken als in medio virtus.


WERKWIJZE
 

Men tracht de verschillende standpunten nader tot elkaar te brengen, waarbij men

  1. meestal blijft werken op het niveau van de aangebrachte voorstellen en alternatieven, dus deze wat trachten bij te sleutelen.
  2. men werkt vooral aan die aspecten die duidelijk meet- en zichtbaar zijn, en die aspecten die psychologisch voor de verschillende partijen het meest belangrijk zijn.

   3.  op die manier bereikt men een consensus, die in feite een schijnconsensus is.


VOORBEELD


Een echtpaar wil een nieuwe wagen kopen. De man wil een wagen van 20.000 euro de vrouw wil een wagen van 14.000 euro. Een mogelijk compromis is een wagen te kopen van 17.000 euro.
 

Uit dit voorbeeld blijkt echter duidelijk dat het aspect waarmee hier rekening wordt gehouden (nl. het financiële) niet het belangrijkste kenmerk is. Belangrijker zijn immers aspecten als comfort, grootte, enz. Want als men goed zoekt vindt men misschien een auto van minder dan 14.000 euro, die echter nog meer voordelen biedt dan deze van 20.000 euro die men op het oog had.


VOORDELEN
 

Men hoopt aldus de verschillende voordelen te bewaren, en één der belangrijkste nadelen nl. de psychologische spanning, te verminderen. Als individu heeft men de troost dat men “van alles iets” heeft, en in de groep heeft iedereen het gevoel dat “er met hem rekening wordt gehouden.”. In principe zouden we hier van een primitieve vorm van integratie kunnen spreken.
De gelijkenis met integratie is dus dat men wel elementen tracht te houden en te bespreken vanuit de verschillende standpunten. Het verschil met integratie is dat de KEUZE van deze elementen meestal niet de fundamentele zijn. Vandaar dat men veeleer een schijnoplossing creeert die de eigenlijke behoeften niet vervuld. 
Men kan dus ook stellen dat het compromis een slechte poging tot integratie is.
 

NADELEN
 

  • Het grootste nadeel is dat alle betrokkenen gefrustreerd zijn, omdat niemand eigenlijk zijn doel volledig heeft kunnen verwezenlijken. Er rest een soort machteloze woede, enkel getemperd door het gevoel dat men toch iets heeft weten te realiseren, en dat de tegenstander er evenmin in gelukt is om alles naar zijn hand te zetten.
  • Men tracht een synthese te maken van de meeste opvallende kenmerken, doch deze zijn helaas niet altijd de meeste essentiële. Het is daarom vaak een schijnintegratie aangezien het belangrijkste buiten schot bleef. Op termijn mogen we verwachten dat de “verwaarloosde” aspecten eerst onbewust en onherkenbaar, later steeds herkenbaarder, zullen gaan “roeren’, zodat er nieuwe conflictsituaties ontstaan, weliswaar minder snel dan bij de keuze.
  • Hoe essentiëler de facetten waarmee we rekening houden, hoe meer we het ideaal van de integratie benaderen. Strikt genomen is een ideaal compromis hetzelfde als een integratie.
  • Vaak ook combineert men de positieve aspecten der verschillende alternatieven, waardoor het resultaat vaak een halfslachtig product is, dat soms juist door zijn halfslachtigheid mislukt.
  • Men spreekt ook van een syncretisme, d.w.z. dat men vanuit de elementen een geheel krijgt dat inwendig niet harmonisch gestructureerd is. Men is dan soms geneigd om weer terug te vallen tot de keuze van één enkel alternatief. (Beter een duidelijke keus dan en halfslachtig compromis).


FANTASMATISCHE ONDERSTEUNING


Vaak voelt men de beperktheid van het compromis aan. Men rechtvaardigt dit dan door te verwijzen naar het feit dat de omstandigheden van tijd en praktische mogelijkheden te beperkt waren, dat dit compromis het enige “realistisch” haalbaar was, dat compromissen een vorm van eerbied en tolerantie zijn.


Vele compromissen zijn inderdaad de enig haalbare, doch niet ter wille van de zaak zelf, maar omdat het overleg veel te laat tot stand komt en de communicatiekanalen niet optimaal genoeg zijn voor een tijdrovend en delicaat integratieproces.


Leuzen als mêden agan (niets te veel), in medio virtus (de deugd ligt in het midden), de gulden middenweg, e.d. sterken dit soort fantasmen.

3. INTEGREREN



PRINCIPE


Bij een integratie tracht men de waardevolle aspecten en de voordelen der verschillende alternatieven te combineren, zonder de nadelen van elk van deze alternatieven.
Het betreft het bekijken van de eigenlijke behoeften.
Verlangens kan men niet integreren daar zij conflictueus zijn. De onderlinggende behoeften echter zijn wel te integreren. Deze zijn niet steeds makkellijk en/of duidelijk te verwoorden en vragen daardoor een extra inspanning om deze precies te begrijpen.

 

UITGANGSPUNTEN
 

  1. Men gaat uit van de gedachte dat elk voorstel waarschijnlijk een stuk van het ideaal bevat, dat elk idee een deel van de waarheid inhoudt. Men vertrekt tevens van de veronderstelling dat elke opmerking ergens zinvol is, ook al wijkt ze sterk af van de mening der anderen. De kans dat een gesprekspartner er glad naast zit of debiel is, is ontelbare malen kleiner dan de kans dat hij toch iets zinvols weet te vertellen. Een tegenstrijdigheid tussen standpunten wordt dus altijd als schijnbaar, paradoxaal beschouwd, en nooit als essentieel.
  2. Men gelooft tevens dat het steeds mogelijk is tegenstrijdigheden tussen opvattingen of strevingen op te lossen zonder iets van het essentiële te verliezen. Men vertrekt hierbij dus van de werkhypothese “er bestaat uiteindelijk maar één waarheid, één ideaal”. Als men de indruk heeft dat er equivalente alternatieven bestaan, dan is het integratieproces nog niet voldoende geweest. De idee van het mogelijk bestaan van equivalente alternatieven is een mythe.
  3. Dit wil niet zeggen dat men dit ideaal nu al of gemakkelijk zal vinden. Het wil wel zeggen dat men zich niet neerlegt bij de gemakkelijkheidsoplossing der “alternatieve equivalenten”, en dus de discussie staakt met het excuus “elk zijn waarheid”, “alles heeft zoveel nadelen als voordelen”, “dat is allemaal erg subjectief”, de gustibus non disputandum est, enz.


VOORDELEN VAN INTEGRATIE

 

  • De integratieve oplossing heeft een grotere plausibiliteit doordat zij rekening houdt met alle essentiële factoren en zal op lange termijn als gevolg hiervan efficiënter zijn.
  • De behoeften van alle betrokkenen worden vervuld, wat tot uiting komt in een algemeen geluksgevoel.
  • Conflicten worden vermeden
  • Het integreren op zich is een plezierige activiteit, omdat het creativiteit vereist. Creatief zijn is trouwens een menselijke behoefte en integratie is de beste manier om deze te vervullen.
  • Het bereiken van geestelijk evenwicht!

Elk conflict is integreerbaar, tenzij één van beide partijen blijft vasthangen aan zijn mening.


In feite heeft integratie niets dan voordelen, mits men ervan uitgaat dat het positieve van de verschillende mogelijkheden samengebracht werd.

Zogenaamde integraties die tot nadelen schijnen te leiden, zijn per definitie onvolledig, onafgewerkte integraties, want het betekent dat men met bepaalde elementen niet of te weinig rekening heeft gehouden.

 

Wel zal een goede integratie moeite kosten, omdat wij als mens nooit of in elk geval onvoldoende hebben geleerd om te integreren, en dat evenmin onze cultuur de geschikte mentaliteit verschaft om goed te kunnen, willen en durven integreren.


INTEGRATIE IS EVENEENS
 
  • Het geheim van het geluk (vb werk doen dat aangenaam is en tevens voldoende financiele inkomsten geeft)
  • Gestelijke gezondheid. Een psychose/neurose is een niet geslaagde integratie. Een psychotherapeut moet klanten leren integreren.
  • Creativiteit. Daar men goede ideeen die uit verschillende hoeken komen moet integreren.
    • Vb Bach combineerde muziek van Vivaldi met Buxtehude in eigen composities voor het orgel.
    •  GSM integreert vele functies zoals telefoon, sms, foto, video, agenda, wekker, muziek, etc
  • Wetenschappelijke methode en de beste wijze van onderzoek. Wetenschap wordt vaak gezien als het bewijzen van hypothese. De fundamentele vraag is echter waar deze hypotheses vandaan komen. Deze ontstaan door een inductief proces op het onbewuste niveau. In het boek How to solve it? van Polya kan men hierover meer te weten komen. De traditionele, natuurwerehnschappelijke methode berust op deductie vanuit als juist geachte principes. Integratie gebruikt inductie, d.w.z. diepere, algemenere regels opbouwen uit cincrete vaststellingen. De juistheid van de redeneringbersute nioet op de exacte huisthjeid van de deductie, maar op de waarschiojknlijkheidnvan de integratie, vermistv vershilelnde inzichten er kunnen van afgeleidnwoprden door 
 
Integratie is een cyclisch (never ending) proces. Sommige integraties kunnen daardoor een leven lang of zelfs generaties lang doorgaan.
 
TOEPASSINGEN VAN INTEGRATIE
 
  • Communicatie. Kopppel dat ideeen goed kan integreren (betreffende allerhande onderwerpen zoals, kunst,seks,vrije tijd, beroepsactiviteiten, ...) heeft een tevredenstellende relatie.
  • Aan goede politiek doen is integreren 
  • GSM integreert vele functies zoals telefoon,sms,foto,video,agenda,wekker,muziek,etc
  • Geschriften. Het westen heeft een fonetisch systeem (steunende op het alfabet). Het Oosten heeft een inhoudelijk systeem.
    • Vervolgens hebben we pictogrammen die een richting aangeven (pijl) of aanduiden waar de uitgang is (lopend mannetje) enz.. Deze symbolen zijn univcerseel en worden toegepast in zowem het Westen als het Oosten.
 

 

 
FANTASMATISCHE ONDERSTEUNING


Integreren is vooral dáár mogelijk, waar men ingezien heeft dat het een essentieel kenmerk is van geestelijke rijpheid, m.a.w. dat men fier mag zijn dat men kan integreren (“Joepie, een meningsverschil!”), veel fierder dan als men erin slaagt zijn wil of mening op te dringen of door te drukken. Onze cultuur is meestal echter nog niet rijp voor deze visie. Nochtans zijn goede relaties of teamwerking slechts mogelijk als deze overtuiging bewust aanwezig is.


WERKWIJZE

 

In feite is communicatie een vorm van groepsmatig (of relationeel) integreren. We komen er later op terug.

Integreren kan op een directe en een indirecte manier gebeuren. De directe is niet gemakkelijk, vermits wij nog niet beschikken over een volledig uitgewerkt algoritme, d.w.z. een hanteerbare procedure. Het is nochtans interessant de verschillende te maken stappen voor ogen te hebben. Meestal zullen we daarom een indirecte methode gebruiken, die ons helpt om aan te voelen wat de essentiële kern is van een reeks onverzoenbare of moeilijk te rangschikken elementen, zonder dat we hier die meteen kunnen formuleren.


1. DE DIRECTE METHODE


Men gaat er dus vanuit dat standpunten die onverzoenbaar zijn dit slechts in schijn zijn. Ze bevatten een kern van waarheid (de essentiële elementen), die echter verhuld is in een reeks gevolgtrekkingen die te verregaand zijn geweest, d.w.z. die niet verantwoord waren (de overdreven inkleding). Als het gaat over theoretische, verklarende inzichten (inducties, hypothesen), dan spreekt men van een overgeneralisatie (vb. hij is altijd opstandig, het is zijn karakter). De geformuleerde wetten zijn eigenlijk niet zo algemeen als ze voorgesteld worden. Ging het over concrete conclusies (deducties, projecten), dan spreekt men van overconcretisatie (vb. als ik nu geen pintje bier krijg, dan sterf ik). De concrete vormen van een actievoorstel lijken belangrijk te zijn, maar zijn in feite bijkomstig. Deze twee fenomenen samen noemt men een eductie van de oorspronkelijke inzichten: men is ergens te ver gegaan, bij gebrek aan andere inzichten die deze veralgemeningen zouden onmogelijk gemaakt hebben.

De eerste stap die men dus moet zetten is een retroductie uitvoeren van de verschillende standpunten. M.a.w. men tracht de stelling te ontdoen van de overdreven generalisaties of concretisaties. Dit is uiteraard niet gemakkelijk. In praktijk zal het er vaak op neerkomen dat men de stellingen meer nuanceert, of onderzoekt “wat er achter zit”. Men tracht dus terug te keren naar de essentie, naar de kern. De moeilijkheid is om onderscheid te gaan maken tussen de essentie (de waarneming, de behoefte), die niet mag verloren gaan, en de overdreven veralgemening of concretisatie, die bijkomstig is. Zodra men bij dit analytisch werk op een niveau komt dat een combinatie van twee verschillende standpunten geen enkel probleem meer vormt, dan kan men ze samen voegen. In het nieuwe standpunt zal dus niets essentieels verloren gegaan zijn. Er kunnen nog overbodige educties bestaan, maar deze kan men voorlopig niet opmerken. Pas als men dit geïntegreerd standpunt later opnieuw eens moet integreren met een nieuw standpunt heeft men kans deze inducties op te merken.



ANALYSE


Om een retroductie uit te voeren moet men dus, bij een inductie-integratie, terugkeren naar de uitgangspunten, en bij een deductie-integratie, terugkeren naar de onderliggende principes of de onderliggende behoeften.

De meest directe manier om dit te doen is het antwoord te zoeken op de directe vragen:

(bij een inductie:)
  • vanuit welke waarnemingen, feiten of gegevens vertrekken we om deze hypothese te staven?
  • is de door ons gebruikte hypothese wel de minimale? M.a.w. kunnen de zaken die we trachten te verklaren niet op een eenvoudiger manier uitgelegd worden?
  • (proefdeductie:) als we onze hypothese eens toepassen op situaties die op het eerste gezicht analoog zijn, wordt het voorspelde resultaat dan inderdaad bevestigd?

(bij een deductie:)

  • welke behoefte(n) tracht ik, trachten wij te vervullen met dit project, deze projecten?
  • welke behoeften liggen achter deze aangehaalde behoeften?

VOORBEELDEN


1. tegenstrijdige opvattingen (inductie van een hypothese):

Op een leraarsvergadering tussen leraren die in dezelfde klas lesgeven, wordt gesproken over leerling Jan. De ene leraar beweert: “Jan is stout”. De andere integendeel: “Jan is braaf”. De integratie is bv. dat Jan in lessen die hem boeien heel coöperatief is, en storend wordt van zodra het hem niet meer boeit.

2. Tegenstrijdige verlangens (deductie van een project):

De man wil op vakantie naar zee, de vrouw naar de Ardennen. Dit lijkt verzoenbaar, een compromis dringt zich op. Als ze echter integreren, dan ontdekken ze dat ze bv. naar de Kempen kunnen gaan, waar zowel de rust van de Ardennen als de open natuur van de zee te vinden is.

2. DE INDIRECTE METHODES


Daar het analytische werk van de directe methode niet gemakkelijk is, zal men vaak indirecte methodes gebruiken. Het principe hiervan is dat men niet direct integreert, maar de omstandigheden die een spontane, intuïtieve integratie mogelijk maken, begunstigt. Het groeiproces naar integratie is het moeilijkste, je moet ideeën krijgen en creatief worden. Bij muziek merk je veel integratie.


De technieken zijn dus eerder inspirerend, en garanderen geen integratie. Een eigenlijke algoritme van de logica van de integratie (d.w.z. van de inductie van een nieuw model of hypothese) is nog steeds niet beschikbaar in de logische wetenschappen.

We zullen deze technieken als volgt bespreken: eerst beschrijven we eigenlijke “spontane” integratieprocessen, en vervolgens beschrijven we inspiratiebronnen, d.w.z. die de noodzakelijke elementen voor het integratieproces kunnen opleveren.


A. HET CENTRALE PROCES: DE CYCLISCHE IDEEËNINTEGRATIE

 


Deze intellectuele activiteit verloopt in meerdere cycli van telkens twee fasen: inspiratie en integratie.

  1. In een eerste fase verzamel je zoveel mogelijk losse ideeën. Je noteert ze gewoon op een blad of in een computerfile, ongestructureerd zoals ze je invallen, elk punt bv voorafgegaan door een streepje. Voor deze ideeëngaring neem je gewoon wat er in jezelf spontaan opwelt als idee. Het is goed dit in de loop der tijd enkele malen te herhalen. Je kan ook inspiratie zoeken door aan anderen vrijblijvend te vragen wat ze erover denken. Die anderen hoeven helemaal geen specialisten terzake te zijn, of hun antwoord grondig voor te bereiden, integendeel. Je kan zelfs in een woordenboek of ander referentiewerk inspiratie zoeken. Zelfs brainstormingstechnieken kunnen helpen. Het herlezen van de eigen nota’s kan zeer inspirerend zijn.
  2. In en tweede fase tracht men een integratie te maken van de ideeën die men reeds heeft; men ordent ze, en past het schema voortdurend aan wanneer alles er een aanvaardbare plaats in gevonden heeft. Bij dit schematiseren kan men algemene indelingen gebruiken (bepaling, werking, soorten, oorzaken, gevolgen, toepassingen, tegenmaatregelen), of gewoon maar klasseren wat men heeft. Bij deze indelingspoging zullen ongetwijfeld lacunes voorkomen, d.w.z. men zal door het schema begrijpen dat bepaalde onderdelen wel, en andere nog niet ingevuld zijn. Dit werkt dan inspirerend. De bedoeling van het maken van een structuur, een schema is dus niet de overtuiging dat men nu alles heeft, maar integendeel het verlangen om zo gauw mogelijk te ontdekken wat er nog ontbreekt, zodat men inspiratie krijgt om verder te zoeken. In het algemeen tracht je om opsommingen van 5 of meer elementen te rubriceren, d.w.z. samen te brengen rond een centraal idee of schema. Een lange opsomming van elementen wil altijd zeggen dat je de kern van het systeem nog niet gevat hebt. Anderzijds laat zo’n opsomming je juist toe om de kern te vatten.


Na deze integratiepoging volgt een tweede inspiratiefase: men wacht nieuwe ideeën af, en geeft soms zelfs zijn eerste synthesepoging te lezen aan kritische lezers. Hun reacties en aanvullingen zijn dan zeer bruikbaar om het schema opnieuw te verrijken, te vervolledigen. Men verricht dan een tweede integratiepoging. Deze cyclus wordt aldus enkele malen doorlopen, uiteraard steeds trager.


Grote filosofen waren vaak het product van een kruisende bevruchting van verschillende culturen: bv. de Griekse "koloniën"  in Sicilië, Zuiditalië, Kleinazië, en vooral Noordegypte (Alexandrië!), jazz als kruising tussen negermuziek met ritme en improvisatie, en de ritmeloze maar  harmonisch en melodisch rijke Europese muziek.


B. CONCRETE WERKWIJZEN
 

Beide fasen van de ideeën-integratie-cyclus verlopen beter als men bepaalde hulp- of inspiratiebronnen voor schematisering aanboort.
 

a. Rubriceren / schematiseren

 

Bij deze methode gaat men ervan uit dat, als men een opsomming verkrijgt van meerdere naast elkaar staande elementen, bv. vanaf vier of vijf, het mogelijk moet zijn om een logisch schema te maken waarbinnen men deze elementen kan rubriceren. Men tracht de gelijkaardige samen te voegen, en een algemene categorie te abstraheren. Deze methode heeft niet alleen het voordeel dat men op deze manier de onderliggende mechanismen en betrokken dimensies beter begrijpt, maar dat men na de indeling wellicht zal inzien dat er nog bepaalde concrete toepassingen ontbreken bij bepaalde onderverdeling van het schema. Het wordt dan gemakkelijk om deze terug te vinden, of – als ze nog niet bestaan – deze “uit te vinden.”


Mindmapping, een methode om op gestructureerde manier nota’s te nemen of ideeën uit te werken, is ook een goed middel om inspiratie te krijgen voor integratie.
 

b. Matrix-methode


Bij deze methode tracht men de verschillende elementen volgens hun aard te klasseren in tabellen. Men tracht hierbij op intuïtieve manier de verschillende “dimensies” van het fenomeen te ontdekken. Immers, telkens men met een element zit dat men volgens zijn gevoel niet kan klasseren in de reeksen die we reeds hebben, zijn we op een nieuwe dimensie gestoten.

 

VOORBEELD


Bij de vraag welke de ideale muziek zou zijn vertrekken we vanuit zoveel mogelijk bestaande stijlen (bv. gregoriaans, jazz, barok, country). Hierbij onderscheiden we zoveel mogelijk dimensies (bv. ritme, harmonie, melodie, lengte, gevarieerdheid). We beperken ons in de hiernavolgende tabel tot twee dimensies, nl. harmonie (in de tabel van links naar rechts) en ritme (in de tabel van onder naar boven).


                  // ritme //^

negermuziek
jazz
-ideaal-

country

gregoriaans
barok
klassiek

==harmonie==>

 

Het ideaal, de geïntegreerde oplossing is dus een synthese van het “ideaal” van alle dimensies die je kan onderscheiden.

 

Vb. Het “ideale” opvoedingssysteem, rekening houdend met de verschillende mogelijke systemen, vb. Fröbel, jeugdbeweging, opvoeding thuis, school enz. komen tot het ideale.
 

In een dergelijk schema kun je uiteraard slechts twee of drie dimensies uittekenen. Meer dimensies zijn ruimtelijk niet voor te stellen.


3. Het principe van de Progressieve Ontplooiing (PO).
 

Mensen die niet bewust met groei bezig zijn worden nooit met dit verschijnsel geconfronteerd, vermits zij gewoon doen wat de traditie, het leven, hun baas, hun opvattingen van hen verwachten. Maar zij die wél bewust groeien op zoveel mogelijk terreinen, komen voortdurend met dat bijverschijnsel in aanraking: het Principe van de Progressieve Ontplooiing of Spiraalvormige Ervaringscyclus (SEC). Dit fenomeen, dat een teken is van groei en zich onvermijdelijk voordoet als men groeit, kan op zichzelf vreugde schenken, maar stelt toch ook eisen.


Dit principe houdt ook in dat de dingen, waarop men groei toepast, zich progressief ontwikkelen (cfr de Ideeën-integratie-cyclus), zodat niet enkel zij, maar ook alle structuren die ermee in verband staan, zowel de ideeënstructuren als de organisaties, voortdurend kunnen en moeten uitgebreid worden.


Een ingenieur begint met een klein bedrijfje op basis van een idee dat hij, en misschien één of twee medewerkers, uitwerkte. Naargelang het bedrijf groeit zien we niet alleen een kwantitatieve groei van het aantal medewerkers, maar stilaan moeten ook de structuren en de functieverdeling aangepast: het geheel ontplooit zich progressief. Vaak weet men niet op voorhand wat de beste kenmerken zullen zijn van de latere structuren: het geheel ontwikkelt zich op basis van ervaring, ideeën, dus als een integratie.

Ook in ideeënstructuren, en in je agenda, doet dit fenomeen zich voor: als je werkt aan een verhandeling of het één of ander project, dan begin je wellicht gewoon met een blaadje papier met losse ideeën, maar naargelang deze zich uitbreiden wordt je tekst opgesplitst in verschillende paragrafen en hoofdstukken, enz.: het geheel ontplooit zich progressief.


VOORWAARDEN EN NADELEN VAN DE INTEGRATIEVE DENKWIJZE


  1. Integratie vraagt weliswaar soms tijd, maar dit is grotendeels een valse indruk. Inderdaad, de "kortere" methodes (keuze en compromis) leiden niet echt tot een duurzame oplossing. De indruk dus dat integreren langer duurt is vals, vermits men op die manier pas echt een oplossing ontwikkelt, die geen verdere discussies meer uitlokt.
  2. het stelt een aantal organisatorische eisen, en vooral zelfdiscipline. We leven echter in een parlementaire cultuur
  3. men heeft goede ideeën nodig.


ENKELE VOORBEELDEN VAN INTEGRATIES


1. Werner en John


Twee mannen hebben beiden een behoefte aan een degelijk inkomen, om comfortabel te kunnen leven, ze verlangen creatief te zijn, houden ervan kinderen op te voeden, houden van muziekbeoefening en appreciëren het gezelschap van aantrekkelijke meisjes. Doch de ene doet dit alles op een niet-geïntegreerde manier, de andere op een geïntegreerde manier.


Werner werkt hard aan een goedbetaalde, maar saaie job. Hij pendelt elke dag twee en een half uur in volgepropte treinen heen en weer, omdat men in de grootstad iets meer verdient voor hetzelfde werk. ’s Avonds speelt hij in een bandje dat tweemaal per week repeteert; van de optredens houdt hij financieel niets over als je de verplaatsingen, de huur van het repetitielokaal, de afbetaling van instrumenten en geluidsinstallaties meerekent. Soms moet hij repetities en zelfs optredens missen, omdat zijn vrouw hem anders nooit ziet. Ze willen wat wachten met kinderen, omdat er nog zoveel afbetaald moet worden. Op zaterdagochtend geeft hij in een jeugdclub wat gitaarles aan jongeren, als vrijwilliger, want het is een startende club die nog geen subsidies krijgt. Na een optreden blijft hij vaak hangen in de dancings waar hij speelt, om wat meisjes te ontmoeten, doch het valt hem vaak op dat de boeiendste meisjes op dat nachtelijk uur eigenlijk al lang weg zijn. Tegen de zomer heeft hij dringend vakantie nodig, om te rusten en wat tijd te kunnen besteden aan zijn creatieve hobby, nl. akwarelschilderen.


John, de ‘geïntegreerde’, is een succesvol liedjesschrijver, die zijn vrouw begeleidt aan de piano, en die haar manager is. Zij geven wat platen uit, waarvan ze ruimschoots kunnen leven. Ze hebben twee lieve kindjes, waar hij urenlang kan mee bezig zijn. Zij treden meestal op met enkele aantrekkelijke meisjes, die wat danspasjes uitvoeren, en bij het refrein enkele nootjes meekwelen. Hijzelf leert hen de pasjes aan, en neemt zijn dansgroepje, dat in sterke mate tot zijn succes bijdraagt, vaak mee op concertreis. Hij weet niet wat vakantie is, want al zijn behoeften zijn in zijn dagelijks leven bevredigd.
 

2. Arts, ingenieur of musicus?
 

Een vrouw twijfelt bij haar beroepskeuze tussen arts, ingenieur of musicus. De drie zaken trekken haar erg aan, maar zijn onderling moeilijk te combineren, vermits ze alle drie enorm tijdsintensief zijn. Zij kan niet kiezen.
 

Doch in de loop der jaren ontwikkelt zich volgende integratie: zij studeert geneeskunde, en wordt geneesheer in een ziekenhuis geleid door een kloosterorde. Daar is een prachtige kapel aan verbonden, waar zij de kans krijgt om vaak het orgel te bespelen, en een koor van patiënten en verpleegsters te begeleiden. Intussen is haar hobby computerprogrammering geworden. Zij ontwikkelt samen met haar man een firmaatje van computers met vooral toepassingen voor ziekenhuizen en geneeskundepraktijken. Zij ontwikkelt de programma’s, en haar man doet de verkoop van haar product en andere.

 

3. De reizende classicus

 

Een leraar klassieke talen houdt van veel reizen, hetgeen duur is. Hij is ook een begaafd schrijver, maar in het Latijn valt niet veel meer te schrijven. Verder houdt hij van een zekere bekendheid, vooral omdat hem dat mogelijk maakt boeiende mensen te ontmoeten.

Progressief ontwikkelt hij de volgende integratie: hij is leraar klassieke talen, maar daarnaast begint hij steeds vaker krantenartikels te schrijven over onderwerpen in verband met de antieke cultuur, boekenrecensies over onderwerpen in verband met klassiek auteurs en talen, en met pedagogie in het algemeen, recente archeologische vondsten. Hij organiseert schoolreizen naar Italië en Griekenland maar ook naar de Griekse kunstschatten in Turkije en Sicilië. Gezien zijn grote ervaring wordt hij aangezocht door reisagentschappen om allerlei reisformules voor te bereiden, en kan op die manier vaak gratis op reis gaan. Intussen bezoekt hij vele archeologische sites in Turkije en Griekenland, en komt er in contact met de beroemdste hedendaagse onderzoekers. Deze gegevens maken zijn krantenteksten enorm boeiend.
 
4. Hond
 
Zoon verlangt een hond te hebben. Vader moet hier niets van weten.
 
Zoon koopt hond aan zonder overleg met vader. Vader wil 'het beest' niet in huis en de hond (ocharme) verhuist naar het tuinhuis. Zoon mag blijven! 
Vader niet tevreden en zoon ook niet!!!
Dit is toch al een eerste succes (zelfovertreffing) daar zoon en hond mogen blijven wonen bij vader.
 
Het integratieproces...
 
Ideeen en standpunten werden verzameld en verwoord die de integratie van hond ,zoon en vader mogelijk kunnen maken.
  1. Hond vertoont nog niet acceptabel gedrag volgens vader
  2. Vader wil hond niet 'zien'. Maar hij mag er dus wel zijn.
  3. Hond moet zindelijk zij om geen overlast te bezorgen aan vader.
 
De integratie...
  1. Hond acceptabel gedrag aanleren door naar hondenschool te gaan. 
  2. Plaats gemaakt op kamer van zoon door TV weg te doen. Er werd toch niet veel TV gekeken.
  3. Als vader thuis is gaat hond op de kamer
  4. Als vader niet thuis is kan hond vrij rondlopen
  5. Eventuele rommel en overlast van de hond worden opgeruimd voor vader thuiskomt. 
  6. Zoon doet wat extra administratie voor vader als tegemoetkoming  
 
Dit is een voorbeeld van integratie dat goed werkt in deze situatie.
Opmerking:
>Een geslaagde integratie voor de ene is niet noodzakelijk een geslaagde integratie is voor de andere.
 
    

5. Enkele mogelijke toepassingen
 

  • Bespreek in groep hoe de ideale school (naar keuze: Middelbaar Onderwijs, Beroepsvorming) eruit zou kunnen zien.
  • Bespreek hoe het verkeersprobleem opgelost zou kunnen worden.
  • Hoe kan een integratie gemaakt worden bij het typische conflict tussen jongeren die langer willen uitgaan dan hun ouders willen toelaten, of met de dochter die met iemand verkeert die niet door de ouders gewenst is.