6000-6999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

6355 Integratieproblemen


Problemen bij het Integreren



Bij het integreren kunnen zich twee soorten problemen voordoen: inhoudelijke en psychologische.

INHOUDELIJKE PROBLEMEN BIJ HET INTEGREREN

1. Onvoldoende tijd om te integreren


Het is zo dat het niet steeds mogelijk zal zijn om binnen de gestelde tijdspanne te integreren, of tot integraties te komen met mensen die dit niet belangrijk vinden, of wier positie zo sterk is (of lijkt) dat ze zich (meestal slechts tijdelijk) kunnen permitteren om hun wil op te dringen. Het is vooral moeilijk om te leren integreren in conflictsituaties, omdat daar de motivatie om zijn eigen standpunt door te drukken of om zeker niet onder te doen voor de ander het grootst zijn. In praktijk zij de meeste integraties dus onvolmaakt, partieel, zodat ze gevonden oplossingen mettertijd een verdere integratie wenselijk maken. Voor een integratie is veel tijd nodig want een integratie moet groeien. Wanneer we een conflict trachten te winnen, is er geen sprake van een integratie.


2. Het niet kunnen realiseren van de bereikte integraties


Hoe schitterend de integratie ook is, die men langs intellectuele weg bereikt heeft, en hoe ontroerd de betrokken partijen ook zijn door het bereikte resultaat, de betrokken partijen moeten ook nog in staat zijn om de gemaakte conclusies en afspraken te realiseren. Ze moeten, m.a.w. kunnen groeien, dus in staat zijn hun persoonlijk op het gewenste moment in de gewenste zin te laten evolueren, ook al lijkt daar geen dwingende reden voor te bestaan.


Nu, de meeste mensen zijn daar niet toe in staat: ze hebben het nooit geleerd, en beschikken er evenmin de geschikte mentaliteit (de zgn. constructieve of groeimentaliteit voor dit groeiproces is een basisvoorwaarde).

3. Niet alles is bespreekbaar


  • datgene dat zich in ons onbewuste bevindt kan, alle goede intenties en eerljkheid ten spijt, doorgaans niet besproken worden.
  • soms ontbreken in onze huidige taal en psychologie nog de nodige inzichten om bepaalde belangrijke fenomenen te beschrijven, bv. waarom we iets mooi of aangenaam vinden.


Met de term imponderabilia worden elementen aangeduid die belangrijk zijn maar moeilijk of (nog) niet helemaal onder woorden kunnen worden gebracht. Sommige mensen voelen deze imponderabilia echter intuïtief aan, zodat zij soms slagen zonder bewust te kunnen verklaren waarom. Hun succes wordt dan soms zelfs aan het toeval toegeschreven. Dit is trouwens frustrerend voor iedereen die bewust tracht te leven, en dus voor de psychologie in het algemeen. Psychotherapiepatiënten en cursusdeelnemers, die alle psychologische regels die zij hebben ontdekt en geleerd trouw trachten toe te passen, slagen toch soms minder goed dan personen die “spontaan” handelen (spontane integratie), maar die blijkbaar een sterk intuïtief vermogen hebben voor imponderabilia.


4. Men is niet voldoende creatief om een integratie te bedenken


Creativiteit (creatieve tijd) is niet bij velen aanwezig, en daarenboven is het niet steeds op bevel beschikbaar, maar schijnt het af te hangen van een reeks toevallige en oncontroleerbare factoren (zoals sfeer, hoe je je voelt).


Tijdens het freewheelen of de overgang tussen waken en slapen (ontspanningstechniek) kunnen er zich "eureka"-erlebnissen voordoen, waardoor de aanzet tot een integratie wordt gegeven. Volgens de theorie van de linker- en rechterhersenhelft ligt in de linker helft de concentratie en logica, terwijl in de rechter helft intuïtie en creativiteit huizen. Op het moment dat de hersenactiviteit verlaagt naar alpha-golven, werken beide hersenhelften volledig, wat een ultieme situatie is.


5. Men kon een goede integratie bedenken, maar deze is niet te realiseren


Het kan zijn dat de geïntegreerde conclusie te duur is, te veel inspanningen vergt, te veel voorafgaande leerprocessen, enz, m.a.w. praktisch niet haalbaar is. In dit geval is de “integratie” strikt genomen nog niet goed genoeg geweest, want als men geen rekening hield met de prijs heeft men belangrijke factoren verwaarloosd.


Oplossingen


De oplossing om tot een integratie te komen als de zaken moeilijk of niet bespreekbaar zijn, is om al doende tot een consensus te proberen geraken. Hiertoe moet men herhaaldelijk het ene en het andere alternatief daadwerkelijk uitproberen.


a. Proefrealisatie


Bij deze methode gaat men uit van de overweging dat het op voorhand, d.w.z. vóór dan men aan de reële ervaring is begonnen, wellicht niet mogelijk zal zijn om alle (belangrijke) aspecten en dimensies van zijn problemen te doorgronden. Slechts “al doende leert men”. Ervaringsgericht werken, kortom: gewoon doen!


We zijn hierbij bewust van het feit dat onze plannen nog niet volmaakt zijn, maar gaan toch tot de uitvoering over, overtuigd dat de praktijk de beste en de snelste leerschool is. Het is een voorzichtige realisatie waarbij we het risico zo laag mogelijk houden (bv. door hulp van anderen in te roepen) maar met als doel zo veel mogelijk bij te leren, inspiratie op te doen. Deze strategie berust op volgend fenomeen (zie schema).

Op het eerste gezicht zou men denken dat hoe beter we iets voorbereiden, hoe beter het effect zal zijn (theoretische lijn). Deze gedachte wordt vaak als argument aangewend om iets uit te stellen. Bv. ik voel mij nog niet zeker, ik voel me nog niet rijp om een relatie aan te gaan.

In praktijk is het echter zo dat het voordeel van langer voorbereiden, na enige tijd verdwijnt. Verschillende factoren dragen daartoe bij:

  • Als je maar blijft nadenken op basis van je vroegere ervaringen en beschikbare inzichten krijg je steeds minder inspiratie. Het denkproces verloopt steeds moeizamer, is steeds onvruchtbaarder, en betekent uiteindelijk vaak tijdverlies.
  • Hoe langer we uitstellen om aan iets te beginnen, hoe meer we bewust worden van de mogelijke problemen en van onze relatieve onmacht daartegenover. (Weerstanden komen op.)
  • Bij lange twijfel worden we vaak voorbijgestoken door anderen, of heeft ons leven zich ongemerkt dusdanig georganiseerd dat de beoogde verandering eigenlijk al voorbijgestreefd is.
  • Soms heeft lange aarzeling en voorbereiding de resterende tijd zo kort gemaakt, dat een eventuele realisatie van het overwogen project onmogelijk is geworden.
  • De tijd dat je iets uitstelt betekent ook dat je mogelijke tijd verliest om allerlei ervaringen op te doen. Steeds opnieuw zeg je achteraf: was ik er maar meteen aan begonnen, dan zat ik nu al zoveel verder.


 

Deze factoren verklaren daarom de gebogen lijn immers: hoe langer je wacht, hoe meer tijd je verliest om ervaring op te doen.

Bv. wanneer we willen leren schaatsen en het steeds maar uitstellen omdat we er nog niet klaar voor zijn, omdat we ons theoretisch beter willen voorbereiden (bestuderen) en omdat we niet willen vallen (mislukking) dan laten we heel wat tijd verloren gaan tijdens dewelke we reeds nuttige ervaringen hadden kunnen opdoen.


Een proefrealisatie is een manier van handelen, waarbij men zich voorzichtig op nieuw terrein begeeft, d.w.z. dingen gaat doen die men nog nooit gedaan heeft, en intussen alle mogelijke signalen van beginnende problemen tracht op te vangen en er een oplossing voor te vinden. Uiteraard begint men niet zomaar (dus niet impulsief). Men verzamelt eerst zoveel mogelijk ideeën, uit zoveel mogelijk bronnen, en volgt bv. het voorbeeld van mensen die al een stuk van de weg hebben afgelegd. (Zogenaamd model-leren.)


Wetenschap en nieuwe technologieën, zowel in de geneeskunde als in de ruimtevaart, verlopen bewust volgens deze methode. Doch in feite doet iedereen het in het leven op die manier: voortdurend begint hij zaken die hij nog nooit heeft gedaan, bv. een relatie opbouwen, seksualiteit, enz.

Eigenlijk is het werken via een proefrealisatie de enige goede manier van werken in het leven. Het is niet meer dan intelligent leven. Men zou steeds alle zaken die men onderneemt levenslang volgens deze werkwijze moeten sturen, d.w.z voortdurend trachten de gebruikte methode te integreren met nieuwe elementen op basis van de opgedane ervaring en verzamelde inspiraties. (LLL= levenslang leren)


b. Experiëntiële communicatie


Deze methode wordt vooral aangewend in omstandigheden waar je (nog) over het essentieelste niet kunt discussiëren, bv. Bij kunst, sympathie, delicate dingen zoals seksualiteit, voeding, zaken beschrijven waar onze taal tekort schiet, non-verbale communicatie. Bv. de periode van verliefdheid waar de psychologische bereidheid groot is.


Deze techniek wordt in de communicatieleer experiëntiële communicatie (ervaringscommunicatie) genoemd. Het is in praktijk de belangrijkste communicatiewijze voor personen die over de diepste waarden in het leven een consensus moeten proberen te verwerven, zoals een echtpaar. Het is een communicatiewijze die verloopt via een gezamenlijk uitproberen en beleven der verschillende alternatieven (of voorstellen van de ander). Vooral de psychologische bereidheid ertoe is de grote moeilijkheid.


De neiging binnen onze cultuur om “communicatie” te reduceren tot “discuteren” is veelbetekend, en berust op de renaissancemythe dat belangrijke zaken in het leven steeds verbaal kunnen beschreven worden, en dat dergelijke beschrijvingen voor anderen “overtuigend” zijn. De ideale manier is zogezegd het discussiëren in tegenstelling tot het laten uitspreken en niet onderbreken van de ander zoals in het gestructureerd gesprek.


Bij experiëntiële communicatie komen de betrokkenen langzamerhand tot een consensus op basis van hun gemeenschappelijke ervaringen. De gesprekken die zij intussen hebben zijn eerder mededelingen van gevoelens en indrukken, dan eigenlijk discussies over de grond van de zaak.

Het fenomeen doet zich trouwens spontaan voor in elke relatie of groep die lange tijd samen blijft. Op tal van punten, die nochtans nooit uitgepraat zijn, blijkt zich mettertijd een consensus geïnstalleerd te hebben. Beide partners bv. moeten in groep slechts even kijken naar elkaar om van elkaar te weten dat zij er hetzelfde over denken, ook al kunnen zij dat standpunt niet (goed) onder woorden brengen.

ENKELE MOGELIJKE MISVERSTANDEN i.v.m. INTEGRATIE

1. Integratie betekent niet per se dat men alles in één activiteit moet synthetiseren. Het kan daarentegen een zeer goede integratie zijn om via verschillende concrete situaties zijn behoeften te vervullen.

Bv. Iemand die musicus wil worden maar dit niet kan, zou zijn verschillende verlangens (componeren, creatief zijn, optreden in publiek enz.) kunnen realiseren in verschillende andere domeinen zonder echt musicus te worden.

2. Is integratie nodig?

Integratie is in elk geval nuttig. Ze is namelijk de essentie zelf van de groei als mens. Je kan natuurlijk gelukkig zijn zonder groeien, maar de kans dat er mettertijd complicaties ontstaan is zeer groot.


3. Wat als iemand niet mee wil, als bv. de partner de communicatie blijft uit de weg gaan? Er is geen tovermiddeltje voor dit probleem: het is een fundamenteel communicatieprobleem. ER is immers een vaardigheid nodig om zijn behoeften aan te voelen (moeilijk voor echte Thinking-types) en zijn gedachten en gevoelens te kunnen verwoorden. Volgende zaken kunnen echter helpen:

  • Men moet zich bewust zijn dat men zelf aan de basis kan liggen van het ontstaan of het onderhouden van de zwijghouding van de partner, bv. omdat men bewust of onbewust te bedreigend overkomt o.m. door goedbedoelde maar ongevraagde kritiek te geven, door voortdurend de ander het gevoel te geven tekort te schieten, door veel te weinig waardering uit te stralen, door steeds maar goede redenen te vinden om de bijdragen van de ander af te keuren.
  • Zelfs iemand die zwijgt kan men aanpakken met een empathische houding, door op respectvolle manier de redenen van zijn zwijgen te formuleren (zonder interpretaties).
  • Men mag het zwijgen van de ander zeker niet als voorwendsel gaan gebruiken om zelf te gaan zwijgen (passief-agressieve revanche).
  • Ruzie maken is eigenlijk een poging om te integreren, namelijk het niet willen prijsgeven van die aspecten die men zelf belangrijk vindt. Bij ruzie maken gaat men meestal niet ver genoeg, maar blijft men hangen op het stadium van het kenbaar maken van de standpunten (beginfase van het integreren).
  • Anderzijds kan men niet verwachten een optimaal niveau te bereiken in een groep of relatie waar de deelnemers niet “rijp” zijn voor dit soort communicatie.

4. Is integratie haalbaar?

De grootste kritiek op de integratie, als doel en als methode, komt van de zgn. realisten, die volhouden dat integreren geen haalbare kaart is. De mensen zijn er niet rijp voor, de tijd die ervoor nodig is, is veelal te kort, de vereiste creativiteit is niet algemeen genoeg aanwezig, enz. Het is dus een soort utopie, waar je in praktijk niet ver geraakt. De praktijk, dat zal uiteindelijk toch een vermenging van keuzes en compromissen worden.

Deze mensen hebben gelijk, even gelijk als zij die beweerden dat een vliegtuig nooit van de grond zou geraken, dat een metalen schip hoe dan ook zinken zou (je moest maar een sleutel in het water werpen om te zien wat er gebeurt met metaal in water), dat er nooit meer iets mooiers dan Bach en Chopin zou getoondicht worden, dat zo’n schatrijk en machtig bolwerk als het communisme nooit zou instorten, enz. Inderdaad, deze voorspellers hebben gelijk, in de mate dat ze alles wat niet meteen grootschalig en zonder inspanningen kan toegepast worden als utopisch beschouwen. Ze hebben des te meer gelijk, telkens ze vanuit de sterkere situatie reageren die hen toelaat om de zwakkeren en de minderheid te verdrukken en om het uitproberen van alternatieven te verbieden of te verhinderen. De kritiek is juist, als men vertrekt vanuit statistische waarnemingen die ondubbelzinnig aantonen dat, zeker voor bewuste en directe integratie, de overgrote meerderheid van de bevolking de kunst van het integreren wellicht nooit zal kunnen beheersen, en dat zelfs zij die wel bewust en direct een integratie nastreven in hun pogingen zeker maar zelden doorstoten tot een probleemloos en duurzaam ideaal.


Zolang je in een sterke positie zit, zolang de creativiteit der anderen je positie niet bedreigt, zolang je onbevredigde behoeften en mogelijkheden voldoende kan verdringen en/of compenseren, zolang je niet geconfronteerd wordt met het lijden en de ontbering van de slachtoffers van je voorkeur voor keuzes en compromissen, kan je rustig volhouden dat integreren en utopie is.

Maar telkens komt er een moment dat de zaken, die je door gebrek aan integratie mist, toch gaan doorbreken, de verdrongen behoeften en begaafdheden zich gaan wreken, de afgestotenen en genegeerden zich gaan manifesteren, de slimmere concurrenten die wèl geloofden dat het anders kon, jouw positie in het gedrang gaan brengen.


Integreren moge misschien een verafliggende luxe zijn, het is niet verstandig ze te verwaarlozen, en eigenlijk is dat ook niet ethisch. Al het lijden in de wereld, zowel in de schoot van een mislukte huwelijksrelatie als op politiek en militair wereldniveau, kan verklaard worden door een gebrek aan integratie. Immers, alle middelen zijn vandaag al voorhanden om een mooie mensheid te organiseren. Het ongeloof in de integratie laat de overgrote meerderheid van onze middelen braak liggen.


Er is maar één troost voor hen die op dit ongeloof stuiten: zelfs al geloven sommigen niet in de superioriteit van bewust integreren, de feitelijke onbewuste integratie, zowel in denken als in menselijk handelen en organiseren, is een onafwendbaar proces, dat spontaan verloopt, ook bij hen die er niet in geloven of er zich niet van bewust zijn.


DE PSYCHOLOGISCHE ASPECTEN VAN INTEGREREN

Hoewel iedereen onmiddellijk bereid lijkt om de denk- en werkwijze van het integreren te aanvaarden, ter wille van de enorme voordelen die aan deze techniek verbonden zijn, toch zal deze techniek op tal van psychologische weerstanden stoten om vlot en grootschalig te kunnen gerealiseerd worden. Vier factoren lijken hierbij van belang te zijn: psychologische hinderpalen bij de integratie, de moeilijkheid van het leerproces, de ongeschiktheid van de sfeer, en het aanpassingsconflict.


1. Men wil soms niet alles bespreken


Sommige zaken zijn te delicaat om in relatie of groep besproken te worden, vb. iemands fouten, iemands inkomen, iemands geheime bijbedoelingen. Integratie veronderstelt daarom dat de relatie of groep zeer veilig is.


2. Het moeizame leerproces


Hoe aantrekkelijk de resultaten van integreren ook zijn, hoe geestdriftig en overtuigd we ook kunnen zijn om te integreren, integreren blijft een intellectueel proces dat indruist tegen al onze aangeboren neigingen. We kiezen veel liever, dat vraagt weinig of geen inspanningen, te meer dat we bijna steeds kiezen voor datgene wat we spontaan gemakkelijk aankunnen. Als we integreren moeten we meestal niet alleen het probleem oplossen, maar tevens de integratiemethode (verder) aanleren, met inbegrip van het overwinnen van de psychologische attitudes die ervoor noodzakelijk zijn.


3. De ongeschikte sfeer of denkcultuur


Vermits het streven naar waardering, d.w.z. het tonen van zijn kwaliteiten, één der belangrijkste, zoniet het belangrijkste streefdoel van de mens is, is het begrijpelijk dat men gemakkelijk grijpt naar de simpelste methode om waardering te behalen, namelijk de kwaliteit van de ander naar beneden halen. Dit is oneindig veel gemakkelijker dan de eigen kwaliteiten overwinnen en moeilijke projecten aan te vatten, temeer daar elke persoon rondom ons wellicht onvolmaakt is, en wij als ouder, als baas, als volwassen, een prachtig voorwendsel hebben om onze afkeuring te laten merken “ter wille van het goede van die ander of van het hele bedrijf”.


Daardoor ontstond in onze cultuur de reflex van schuld- en minderwaardigheidsgevoel van zodra iemand u kan betrappen op een fout of een tekortschieten allerhande. Een fout maken is een blijk van minderwaardigheid, en van idee moeten veranderen een blijk van dommigheid of onvoldoende ontwikkeling.


Onze cultuur is een zeer bedreigende cultuur, binnen dewelke het gevaarlijk is om zijn fouten te laten merken. In die zin is het weinig uitnodigend om publiekelijk zijn fouten toe te geven. Ook als men zijn opvattingen over iets al kenbaar heeft gemaakt, is het zeer vernederend daar nog te willen op ingaan. Liever nog volhouden in een oncomfortabele leugen.

 

4. HET AANPASSINGSCONFLICT


Dit is wellicht de belangrijkste psychologische weerstand bij het integreren.


Bepaling


Het aanpassingsconflict is de weerstand die wij gewaarworden telkens wij merken dat wij ons zouden moeten aanpassen aan of minstens rekening houden met de situatie en de anderen rondom ons.

De Oedipale problematiek is een concrete vorm van dit aanpassingsconflict.


Uitlokkende factoren


Een van onze sterkste concrete behoeften, is deze om “onszelf te zijn”, d.w.z. datgene wat wij graag zouden doen ook daadwerkelijk te realiseren, zonder ons voortdurend van ons streven te laten afleiden door datgene wat anderen direct (doordat ze het ons zeggen) of indirect (doordat we het merken aan de situatie) van ons (schijnen te) verlangen. Soms ook verlangen de anderen helemaal niets van ons, maar hebben wij de indruk dat dit zo is, m.a.w. we projecteren onze interpretatie op het gedrag van anderen.

De behoefte “onszelf te zijn” is de concretisering van tal van diepere behoeften:


1. De behoefte aan waardering

Deze is een der sterkste behoeften. Om waardering te kunnen voelen moeten we voorafgaandelijk de indruk hebben dat we goed functioneren. Voortdurend onze plannen moeten aanpassen schept echter het gevoel dat we niet goed opgewassen zijn tegen de situatie rondom ons, en dat de anderen, die er wel in slagen ons ons gedrag te doen aanpassen, daardoor de indruk geven beter te functioneren.


2. Behoefte aan creativiteit

Creatief zijn betekent: datgene wat we zelf bedacht hebben kunnen realiseren zonder inmenging van anderen.


3. Behoefte aan beïnvloeding

We hebben allen behoefte aan een “terrein” dat wij zelf in handen hebben, dus waarvan we de gang van zaken zelf kunnen beïnvloeden, we willen ons territorium afbakenen. Het geheel der psychologische territoriumfenomenen berust daarop. Als we echter aanvoelen dat we ons moeten aanpassen, is dit in strijd met die behoefte.


4. Behoefte aan spontaniteit

Vermits ons bewust inspannen om iets op een andere manier dan voorheen te doen veel meer moeite vraagt dan ons te laten drijven op onze gewoontes, hebben wij er behoefte aan om slechts een klein deel van onze tijd bewust aan onszelf te werken, doch deze frustrerende inspanning moet gecompenseerd worden door lange periodes van “automatisch”, d.w.z. gewoontematig handelen. Als de aanpassingsinspanning echter te lang duurt, gaat ons dit irriteren.


5. Behoefte aan revanche

De raad, bevelen, beperkingen van anderen moeten incalculeren in het bepalen van ons gedrag, is om al bovenstaande redenen een frustrerende ervaring. Daardoor ontstaat progressief een behoefte aan revanche. Op zijn beurt de anderen te kunnen organiseren is de fantasmatische bevrediging van deze revanche behoefte. Hoe meer een persoon met het gevoel zit dat de anderen hem gedomineerd hebben, geen rekening hoefden te houden met hem, enz. hoe groter deze behoefte.


Toepassingen


Het aanpassingsconflict kan zich eens apart voordoen, in bepaalde omstandigheden van zware druk op aanpassing. Er zijn echter enkele periodes in het leven, die men verzetsfasen ofautonomiecrisissen noemt, en die meestal de overgang vormen van een periode van overdreven afhankelijkheid naar een periode van meer integratieve zelfstandigheid of autonomie. Het hoofdkenmerk daarbij is dat het verzet tegen beïnvloeding en het verlangen naar zelfstandigheid reeds aanwezig zijn, maar het fundamenteel zelfvertrouwen nog niet sterk genoeg is om het overnemen en integreren van ideeën niet als een blijk van minderwaardigheid en gedwongen aanpassing te beschouwen. De primitieve zelfstandigheid uit zich dan nog hoofdzakelijk als een gemakkelijk substituut, namelijk niet doen wat de anderen verwachten of schijnen te verwachten van jou:

  • de oedipale problematiek, wanneer een kind langzaam overgaat van de overdreven afhankelijke orale naar de anale en fallische stadia.
  • de (psychische) puberteit die, anders dan in Freuds tijd, al lang niet meer samenvalt met de fysiologsiche puberteit, die steeds vroeger komt, daar waar de psychische steeds later komt, bij jongens vaak bij het begin der hogere studies, bij vrouwen vaak als hun kinderen uit de doeken zijn, en de moeder eindelijk eens tijd voor zichzelf krijgt.
  • de autonomiecrisis van de jonggehuwde vrouw. Deze crisis, die we net beschreven, valt daarenboven vaak samen met een communicatiecrisis, die typsich is voor een relatie van 5-10 jaar oud. We komen er later op terug.

Het eigenlijke conflict


In feite is het onvermijdelijk dat we ons moeten aanpassen aan de anderen, d.w.z. dat we rekening houden met hoe ze in realiteit zijn. Immers, houden we er geen of onvoldoende rekening mee, dan zal ons streven mislukken. Net zoals je geen klanken uit je gitaar krijgt als je je vingers niet voldoende hard op de snaar drukt. Niemand zal agressie tegen de uitvinder of bouwer van de gitaren voelen, als het drukken op de snaar hem pijn doet aan de vingers, of het een aanslag op de eigen persoonlijkheid vinden omdat de gitaarbouwer ingaat tegen je “rechtmatig” verlangen om “jezelf te zijn”, door bv. minder hard op de snaren te drukken omdat dit “nu eenmaal zo in je aard ligt”. Integendeel, een persoon zal het feit dat hij erin slaagt mooie gitaarklanken te produceren door voldoende hard op de snaren te drukken, veeleer beschouwd worden als een teken van zijn eigen bekwaamheid en superioriteit, dan als blijk van de vernederende superioriteit van de gitaarbouwer.


Blijkbaar reageren wij tegenover materiële vereisten en voorwerpen anders, dan tegenover de vereiste om rekening te houden met de persoonlijkheid van andere mensen. Vanwaar dit verschil?


Het verschil is louter fantasmatisch. Immers, als wij rekening houden met de ander kunnen we gaan veronderstellen dat deze triomfeert door ons te zien rekening houden met hem, en door te veronderstellen dat wij daartoe onszelf voor een stuk moeten opofferen.


De confrontatie met de ander beleven wij dus als een concurrentieel gebeuren, waarbij ofwel de ene ofwel de ander het onderspit delft, de confrontatie met materiële beperkingen beleven wij alleen als “zakelijk”, waarbij een groter aanpassingsvermogen tevens blijk geeft van een grotere bekwaamheid en superioriteit.


Dat wij dit fantasmatisch als concurrentieel beleven, houdt verband met het feit dat de ander inderdaad dat triomfantelijk gevoel, waarvan hoger sprake, kan hebben, en dat het op het eerste gezicht niet duidelijk is waarom wij wel zouden rekening moeten houden met het feit dat de ander geen zin heeft om rekening te houden met ons, terwijl hij dat blijkbaar niet hoeft te doen.


Het zich moeten aanpassen aan de ander(en) kan dus op twee manieren beleefd worden:

  1. Als een inferieure aanpassing. Hierbij beleeft men de situaite als een nederlaag: de ander is erin geslaagd “zijn wil op te dringen”.
  2. Als een superieure aanpassing. Hierbij beleeft men zijn vermogen om zich aan te passen aan de beperkingen, gesteld door het karakter van de ander, als een blijk van eigen superioriteit. M.a.w., men beleeft de situatie niet concurrentieel, maar zakelijk. Of, als men ze wel concurrentieel beleeft, meent men dat deze die behendig genoeg is om ondanks de psychische beperkingen van de ander toch zijn doel te bereiken, uiteindelijk bewijst de knapste te zijn. Ook beleeft men het feit dat men zou toegeven in zijn neigingen tot verzet tegen de ander, als bewijs van de superioriteit van de ander, die er dus in geslaagd is ons slecht te doen voelen.


De enige goede oplossing voor personen met een aanpassingsconflict is: trachten de eigen fantasmen zodanig te veranderen dat de aanpassing niet als een inferieure vernedering wordt beschouwd maar beleeft als een vorm van superioriteit.


Een psychotherapie kan hierbij helpen, en vooral het besef dat de gevreesde gevolgen op korte termijn eigenlijk nogal meevallen, en zeker niet opwegen tegen de gevolgen op langere termijn.


Belangrijk hierbij is vooral fantasmatisch en emotioneel te beseffen, dat in het verzet gaan om zich te manifesteren, in feite nog dieper in het zand bijten is.


De gevolgen


Als we ervoor kiezen om de noodzaak ons aan te passen te beleven als iets inferieurs, dan kunnen we misschien de fantasmatische vreugde smaken ons lekker niet het hebben laten doen, maar op langere termijn zal het meestal uitdraaien tegen onszelf, omdat de anderen (als groep), en het systeem in het algemeen, nu eenmaal sterker zijn dan wij als enkeling.


Kiezen we ervoor ons aan te passen op een superieure wijze, dan zullen we in elk geval (of toch meestal) beloond worden door het feit dat we ons doel bereiken, maar wel last hebben met het fantasmatisch gevoel van te moeten hebben plooien voor de ander. Doch vermits we onze fantasmen in de hand hebben –als we dat willen– zijn we in staat de aanpassing toch te beleven als een blijk van onze uiteindelijke superioriteit: we bereiken ons doel, en de ander die ons wou vernederen is daar lekker niet in gelukt.


Problemen om te komen tot een superieure aanpassing


Hoewel superieure aanpassing duidelijk de uitweg is voor het aanpassingsconflict, komen toch niet zoveel mensen tot dit inzicht, of houden het niet steeds vol. Dit komt omdat onze nood aan zelfbevestiging toch reëel blijft.


M.a.w. hoe minder fundamenteel zelfvertrouwen iemand heeft, doordat hij in zijn jeugd teveel frustraties heeft beleefd, teveel hinderlijke schuldgevoelens heeft gekregen, teveel in het zand heeft moeten bijten, of dit althans subjectief zo heeft beleefd, hoe minder kans hij heeft om in staat te zijn tot een superieure oplossing van het aanpassingsconflict, en hoe meer hij gedwongen zal zijn om op pijnlijke manier “te plooien”, ofwel in het verzet te gaan, wat meestal ook zeer pijnlijk afloopt, waardoor de vicieuze cirkel verder gaat.


Mogelijke misverstanden


Bovenstaande verklaring, dat superieure aanpassing te verkiezen is boven inferieure, mag niet verkeerd begrepen worden.


1. Het wil namelijk niet zeggen dat men elke toestand als dusdanig moet aanvaarden. Is men overtuigd dat er een betere functioneringswijze van een systeem mogelijk is en voelt men zich gemotiveerd om dit te veranderen, dan moet men dit uiteraard doen, maar mag men niet vergeten dat men dit moet doen op een moment en een manier die kans op slagen heeft. Dit zal vaak inhouden dat men bepaalde hervormingen niet vroegtijdig tracht door te voeren, waarbij men niet verder zou geraken dan een mislukte revolutie, maar wachten tot wanneer men in een voldoende sterke positie geraakt is (bv. als men aan de leiding van het systeem is gekomen), om de verandering – en dan nog zo democratisch mogelijk – door te voeren.

Bv. als een student-stagiair tegen bepaalde wantoestanden op zijn stageplaats reageert, dan heeft dat doorgaans alleen maar voor gevolg dat hij er zelf uitvliegt, en dat de mensen voor wie hij het deed alles behalve geholpen zijn. Doch als hij wacht tot wanneer hij zelf een diploma behaald heeft, en in de hiërarchie voldoende hoog geklommen is, zal voor gevolg hebben dathij de verandering daadwerkelijk kan doorvoeren.
2. Anderzijds kan het soms zijn dat uiting geven aan zijn ongenoegen en zijn niet-bereidheid om zich aan te passen, inderdaad voor gevolg zal hebben dat de ander zich aanpast. In dit geval was “zich schikken naar de feiten” dus een trage methode. Veel hangt heir af van de psychologie van de tegenpartij, en de psychische reacties van de omgeving.

Probleem is, dat het toch daadwerkelijk plegen van verzet maar in een minderheid van gevallen tot het gewenste succes leidt, en dat het op langere termijn bijna steeds tot gevolg zal hebben, dat de mensen die zich eerst noodgedwongen aan u aanpasten, zich trachten te ontdoen van u.