6000-6999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

6560 Autonomie

Echte autonomie


Inleiding

Als we ons gedrag bewust willen sturen tot grotere efficiëntie voor de doelen die wij willen bereiken, m.a.w. als we willen groeien als mens tot  optimaal functioneren, dan moeten we minstens begrijpen hoe het gedrag bij de mens gestuurd wordt, en dan uitzoeken hoe we in dat proces kunnen ingrijpen.

Het menselijk gedrag omvat drie aspecten: denken, doen en voelen. Omdat deze begrippen meestal nogal vaag omschreven zijn, willen we hier nauwkeuriger bepalen wat we ermee bedoelen.

Bestanddelen

Gedrag is in onze taal eigenlijk hetzelfde als doen. In onze psychologie beschouwen we het echter als de verzamelnaam van alle geestelijke activiteiten, d.w.z. de combinatie van denken, doen en voelen.

Denken is de verzamelnaam van alle hersenactiviteiten, grotendeels deze van de hersenschors, die puur inwendig blijven, via assciatie. Het zijn dus inwendige voorstellingen van de werkelijkheid en geconstrueerde denkbeelden, herinneringen en actueel bewustzijn. Belangrijk is te noteren dat slechts een klein deel van deze gedachten tot het bewuste behoren, d.w.z. het deel dat door ons goed omschrijfbaar en vlot oproepbaar is. De meeste gedachten en herinneringen aan vroegere ervaringen en vroegere gedachten bewusten in het on(der)bewuste. Deze zijn minder omschrijfbaar en oproepbaar. Kunnen we ze enigszins aanvoelen, dan zitten ze in het onderbewuste. De rest zit in het onbewuste. Door hun hoeveelheid en hun diepe emotionele connecties bepalen onderbewuste + onbewuste veel meer het gedrag dan het bewuste. Men kan daarom zeggen dat het bewuste vaak een machteloze toeschouwer is van wat het on(der)bewuste beslist, en dat een bewust voornemen maar kan slagen als er tezelfdertijd onbewuste krachten achter zitten. In praktijk beperkt het werk van het bewuste zich maar al te vaak tot het vinden van redelijke excuses (rationalisaties) om een onbewust gekozen gedrag te rechtvaardigen. Opdat het bewuste er zou in slagen met succes ons gedrag te bepalen, dan moet het een reeks trucs gebruiken om het onbewuste te mobiliseren. We zullen deze trucs straks bespreken.

Doen of handelen is de verzamelnaam van alle hersenactiviteiten die leiden tot het manipuleren van de ons omgevende, uitwendige werkelijkheid, met een tussenkomst ons lichaam. Soms veranderen we iets aan die werkelijkheid (bv eten bereiden, onszelf verplaatsen), maar het grootste deel van onze handelingen zijn van louter informatieve (men zegt vaak onnauwkeurig communicatieve) aard. De meeste handelingen zijn gewoontes, die ooit geleerd zijn, doch waarvan sommige aangeboren en instinctief zijn, soms meer dan men denkt: gaan (stappen), geluiden maken en vrijen bv. zijn instinctief, en uitdrukkingen als "leren lopen" kloppen dus niet. Sommige handelingen zijn (nog) geen gewoonte en zijn dus nieuw, en komen tot stand dank zij ingewikkelde hersenprocessen, die we straks bespreken. Belangrijk is om in te zien dat denken en voelen, gezien vanuit de hersenen, ook vormen van doen zijn. Dit ontdekte men toen men zag dat denk- en voelprocessen ook, zoals elk ander gedrag, aan- en afleerbaar zijn. Ook zij zijn dus hoofdzakelijk gewoontes. De opvatting dat onze gedachten spontaan en logisch zijn klopt dus niet: ze zijn, net als elke handeling, ooit aangeleerd en ooit afleerbaar. Dit opent de mogelijkheid onze diepste hersenprocessen bewust te beïnvloeden

Voelen is de verzamelnaam van alle hersenactiviteiten die leiden tot veranderingen van inwendige toestanden in ons lichaam, wat we vaak maar niet altijd zelf meteen weer waarnemen. Deze uitgelokte en waargenomen lichaamsreacties, samen met de bewuste of halfbewuste interpreterende gedachten die we daarbij hebben, noemen we emoties. "Voelen", "gevoel" zijn woorden met meerdere betekenissen, omdat ze in het Nederlands, zoals in de meeste westerse talen, een driedubbele betekenis hebben:
(1) het sensorisch-emotioneel proces dat we hier net beschreven, en (2) een synoniem van intuïtie, aanvoelen. Velen, helaas ook psychologen, verwarren deze twee begrippen en komen dan soms tot vreemde conclusies, zoals dat mensen die veel aanvoelen ook meer zouden voelen, gevoeliger zouden zijn. Het gebruik van woorden als "sensitief" maakt deze verwarring alleen nog groter. Men kan deze misverstanden gemakkelijk vermijden door over aanvoelen te spreken als men het heeft over intuïtie, voorgevoel, vage indruk, enz. Het betekent ook nog (3) tastzin.

Het Ego is het bewuste eigenbeeld dat men zich vanaf de leeftijd van ongeveer 1 jaar begint te vormen. Het is een mentale constructie die wellicht enkel mensen en zoogdieren met voldoende frontale hersenen ontwikkelen.

Samenhang

De drie bestanddelen van het mentaal gedrag verhouden zich als volgt: denken en doen vormen een cyclus, die begint met een interactie (waarneming, actie) met de buitenwereld. Dan wordt de waarneming geëvalueerd, de eerste stap van het denkproces, dit lokt dan tal van associaties uit (inspiratie) uit die dan geïntegreerd worden. Daaruit ontstaat dan een steeds verder uitgewerkt actieplan dat vroeg of laat uitmondt in een actie tov de buitenwereld. De observatie van het resultaat of van de reactie van die buitenwereld (evaluatie) is dan het begin van een nieuwe cyclus denkprocessen. Het is ook mogelijk om niet over te gaan tot tastbare actie, maar zich slechts actie te verbeelden, wat opnieuw kan geëvalueerd worden, enz. Het hele denkproces is dus een mentale cyclus, "nadenken", "reflectie".

Voelen is ook een verband tussen waarnemen/denken en doen, maar de associaties verlopen langs een andere weg. Vandaar we het in het schema in het midden van de cyclus tekenen. Daar waar de "gewone" denk-en-doe associaties verlopen door vergelijken/evalueren met bewuste doelstellingen en criteria, zitten de criteria en diep associaties van de gevoelsketen diep bedolven in het onbewuste en is gelinkt met sterke emoties. Hoewel wij deze twee denkprocessen langs verschillende "wegen" tekenen, verlopen ze in de hersenen door elkaar en bijna synchroon. Het ene leidt echter tot nieuwe ideeën, het andere tot zwakkere of sterkere emoties. Deze emotionele evaluatie, die op elk ogenblik onze gevoelens bepaalt, opgeroepen door de situaties waarin we zitten en door wat we over deze situaties "denken", wat zij "betekenen" voor ons, bepaalt ook op dezelfde manier de motivatie voor eventuele voornemens (actieplannen), d.w.z. de "energie" die vrijkomt om ons daarvoor in te zetten, daar moeite voor te doen.

Vermits het hele gevoels- en evaluatiesysteem bijna uitsluitend uit gedachten en interpretaties bestaat is het zeer beïnvloedbaar voor goed gerichte zelfbeïnvloedingspogingen.


De grote beïnvloedingswegen

De manier waarop wij functioneren, dus denken, doen en voelen, wordt langs drie belangrijke wegen sterk beïnvloed: 1. het Onbewuste - 2. de Omgeving - 3. het Bewuste

1. Het Onbewuste

Zoals elders (6550) besproken, is het Onbewuste is de verzamelnaam voor alle geestesinhouden die we niet verbaal kunnen herkennen noch formuleren. Hoogstens voelen wij het resultaat: geestdrift, afkeer of onverschilligheid om een bepaald gedrag te stellen, maar zonder dat we duidelijk aanvoelen waarom dit zo is. Het onbewuste bepaalt onze sympathieën en antipathieën, onze smaak voor voedsel en kunst, onze erotische gevoeligheid, en zelfs onze stemming, onze concentratie, ons geheugen, en maakt de meeste van onze keuzes. Nadat keuzes gemaakt zijn is het soms nodig deze voor onszelf en/of de omgeving uit te leggen of te "rechtvaardigen". Dan schiet het bewuste in gang, en construeert een aanvaardbare uitleg. Dit geeft dan aan onze omgeving en aan onszelf de indruk dat onze keuze op rationele basis is gebeurd.

Tot het Onbewuste behoren ook een indrukwekkende reeks van reflexen en instincten, waarvan vele aangeboren zijn, maar vele ook aangeleerd. In het algemeen zijn deze reflexen veel belangrijker dan wat men vroeger dacht. Vele reflexen zitten namelijk verhuld achter schijnbare leerprocessen, zoals "leren" lopen, "leren" spreken, "leren" vrijen. Dit leidt tot een enorme reeks gewoonten, die ons gedrag in de praktijk grotendeels bepalen. Slechts over nieuw of uitzonderlijk gedrag "denken" we na, de rest gaat vanzelf.

Een gewoonte die gemakkelijk kan aangeleerd worden, maar meestal ontbreekt in onze persoonlijkheid, is de gedragsstuurgewoonte (GSG) of Zelfsturing, d.w.z. dat we bijna automatisch doen wat ons Bewuste beslist heeft, hoe groot bepaalde onbewuste weerstanden, voorkeuren of andere gewoontes ook zijn.

Daarenboven zijn deze onbewuste voorkeuren afhankelijk van de stemming, een zgn. persoonlijkheidstoestand. Deze zou je kunnen beschrijven als een soort belichting of verkleuring, waardoor de subjectieve van al deze elementen uit het Onbewuste. Als onze stemming verandert, verandert als het ware onze persoonlijkheid, althans tijdelijk.

2. De Omgeving

Een tweede, zeer sterke gedragsbepalende factor, is de Omgeving. Dit is geheel van invloeden die de kiezende associaties in ons Onbewuste bepalen. Deze beïnvloeding gebeurt op vele manieren, direct (door gedragingen en gewoontes aan of af te leren), maar ook indirect (door criteria, beloningen en angstgevoelens, bv schuldgevoelens, in te bouwen). En dan is er nog de zeer sterke beïnvloeding van de stemming en andere persoonlijkheidstoestanden, zoals woede, seksuele ontremming, zelfzekerheid, romantiek, e.d.

De ingebouwde (geïnternaliseerde, d.w.z. gewoonte geworden) elementen van de Omgevingscultuur, zitten hoofdzakelijk in het Onbewuste. Doch de hogerop beschreven elementen van het Onbewuste oefenen hun effect meestal uit op langere termijn. Met de omgevingscultuur worden vooral actuele en recente beïnvloedende factoren bedoeld, zoals de interactie met partner en groep, het al dan niet frustrerende of succesvolle van de huidige activiteit, e.d.

3. Het Bewuste

Tot het bewuste behoren alle actuele gedachten die zich in onze verbeelding afspelen, en die meestal direct verband houden met actuele en recente warnemingen, maar uiteraard ook met vroegere verlangens of gedachten en mijmeringen die ons bezighouden.

We hebben gezien dat ons gedrag hoofdzakelijk bepaald wordt door ons Onbewuste, dat een verzameling is van gewoontes, vroegre dromen (nagestreefde realisaties van verlangens) en frustraties. Daarenboven spelen bij dit alles actuele en recente indrukken uit de Omgeving een enorme rol.

Op zoek naar Autonomie

Ons gedrag wordt dus grotendeels bepaald door Onbewuste factoren, en mengeling en samenspel van vroegere ne recentere met actuele indrukken. Van de mate dat dit zo is zijn we ons amper bewust. Nochtans hebben wij een sterke autonomiebehoefte, d.w.z. we hebben nood aan het besef dat we vrij ons denken en doen (kunnen) bepalen.

Daar dit in de praktijk maar zelden zo is, soms zelfs nooit, kunnen we in principe vier methodes gebruiken om toch minstens deze illusie, de autonomie-illusiete kunnen koesteren:

1. De rationalisatie

Hierbij wordt ons gedrag volledig bepaald door ons Onbewuste, door een combinatie van vroegere en recente indrukken. Daar het besef, dat wij volledig de speelbal zijn van deze onbewuste krachten, niet leuk is, trachten wij vooral onze gedragingen, keuzes, maar ook de gedachten in onze verbeelding en onze gevoelens en emoties, een aanvaardbare, rationele uitleg te vinden, hetgeen Freud noemde: een rationalisatie. We zijn in ons leven volledig het product van het samenspel van vroegere en recente ervaringen, maar dank zij de rationalisaties hebben wij het gevoel "dat alles onze vrije beslissing is". Zelfs als wij onze eigen eerlijke en vastbesloten voornemens opgeven of verlaten, bv. het voornemen om niet meer te roken, vriendelijker te zijn tegen zijn partner, meer orde te hebben, op tijd te komen, tijdig aan iets te beginnen, enz. maken wij onszelf en de anderen rondom ons wijs dat dit toch op een onafhankelijke beslissing steunde: "ik zal morgen wel stoppen", "mijn vrouw moest maar een beetje vriendelijker zijn"...

Deze aanvaardende rationalisatiestijl is in feite het equivalent van stadium 2 van de persoonlijkheidsontwikkeling: zich aanpassen aan de verwachtingen, beperkingen en suggesties van de omgeving, en een rationeel kader ontwerpen om de pil voor zichzelf te vergulden tot een pseudo-identiteit.

2. De negatieve zelfrealisatie

De tweede manier om de illusie te kunnen hebben "dat men zichzelf is" en zich "lekker niet laat doen door de anderen", is zich te verzetten tegen de merkbare invloeden van buiten, bv in de mate dat die herkenbaar uitgaan van een bepaalde persoon zoals de ouders, de partner, de leraar, de baas, het systeem., enz. Dit is de negatieve autonomie-illusie: men heeft de inruk dat men "zichzelf" is, maar is in feite slechts het negatieve van wat de omgeving van jou verlangt, of schijnt te verlangen.

Meestal is men zich zelfs niet bewust van het feit dat zelfs de neiging om "zichzelf te zijn" geïnduceerd is door de omgeving. Bv als men het omgekeerde doet van wat er verwacht wordt (geen rok maar een broek, geen broek maar een rok, geen lang haar maar kort, en omgekeerd) wordt het eigen gedrag in feite volledig bepaald door de ander en de omgeving, maar dan in het negatieve. De vrijheidsverzuchting is zélf geïnduceerd door de omgeving, de mode, enz.

Deze verzetsstijl is in feite een verzetsfase (stadium 3 van de persoonlijkheidsontwikkeling). Men ontwikkelt hierbij dus een anti-identiteit.

3. De Spontaanheidsmythe

Een variant op de mentaliteit en persoonlijkheidsstijl is de spontaniteitsmythe of spontaanheidsmythe, die stelt dat alleen die persoon zichzelf is die op gelijk welk ogenblik kan doen wat hem dán als het meest leuke invalt. 

Deze spontane stijl is in feite een equivalent van stadium 4 van de persoonlijkheidsontwikkeling, de fallische fase). Men ontwikkelt hierbij dus een schijn-identiteit, maar dit ligt meestal niet ver van anti-identiteit.

4. De positieve zelfrealisatie

De derde manier om het gevoel te verkrijgen dat men zichzélf is, d.w.z. dat zijn gedrag en levenservaringen beantwoorden aan de eigen behoeften, is zichzelf bewust te sturen, d.w.z. zichzelf zo ver te krijgen dat het actuele gedrag niet meer direct bepaald wordt door het Onbewuste (oude + recente indrukken), maar dat het volledig (of zo goed mogelijk) de verwezenlijking is van wat men met zijn Bewuste overwogen en beslist heeft.

De enige manier om dit te doen is een sterke gewoonte te ontwikkelen zijn eigen gedrag te sturen (GSG). In de vroegere volkstaal heette dit wilskracht, wat in feite een zeer goed woord is, maar dat in onze antifascistische, naoorlogse cultuur, die nog versterkt werd door de euforie van de studentenrevolte van 1968, een beetje een negatieve, "vieze" smaak heeft gekregen, en helaas de bijklank kreeg van niet zichzelf te zijn, vermits deze attitude zo in strijd is met de spontaniteitsmythe, en zeker in den beginne veel energie en ingaan tegen de spontane gewoonten vergt.

Deze manier van zelfrealisatie kost uiteraard veel meer energie en weerstandsoverwinningen dan de spontaanheid of de anti-identiteit, maar het is dan ook de enige die tot echte zelfrealisatie leidt, d.w.z. tot de constructieve vervulling van de eigen behoeften en realisatie van de sluimerende mogelijkheden.

De beroemde Italiaanse psychiater Assagioli heeft over dit aspect, dat onder invloed van onze spontaanheidscultuur zo gemakkelijk vergeten wordt in onze diverse psychotherapieën, een prachtig boek geschreven: Over de Wil. Bijna niemand kent dit boek, omdat zijn bekendheid helaas beperkt gebleven is tot zijn werk rond Psychosynthese, die de spontaanheidsmythe schijnt te bevestigen.

Deze persoonlijkheidsstijl komt overeen met stadium 5 van de ontwikkelingsfasen: de genitale persoonlijkheid. Hij laat toe een authentieke identiteit te ontwikkelen.

De ware autonomie

De Gedragsstuurgewoonte (GSG) 

Deze gewoonte bestaat erin dat men dagelijks, ten laatste voor middernacht van de dag ervoor, een gedetailleerd programma van wat men de volgende dag zal doen. Men noteert dit in een agenda, elektronisch of op papier.

De dag erop volgt men als een automaat het voor zichzelf opgestelde programma. Tegenslagen of stemmingswisselingen tracht men niet aan te grijpen als voorwendsel om van het programma af te wijken. Men tracht wel alle onvoorziene zaken te noteren om die later de onderzoeken en er beter rekening mee te houden.

Ook het vervelende gevoel "dat men niet vrij is of echt zichzelf is" tracht men te weerleggen bij zichzelf door te overwegen dat (1) dit onnatuurlijk doodgewoon het gevolg is van het feit dat men de nieuwe gewoonte nog niet genoeg onder de knie heeft; (2) dat het gevoel niet zichzelf te zijn een excuus is, want men heeft het programma volledig vrij en zelfstandig voor zichzelf gemaakt; en (3) dat het alternatief van in te gaan op de stemming van het ogenblik een autonomie-illusie is, vermits deze stemming volledig door anderen en andere levenservaringen bepaald is, en niet door de eigen behoeften en sluimerende mogelijkheden.

Nota: een ouderwetse term voor GSG is "wilskracht". Doch sinds de jaren 1950 is dit een vies woord geworden, in het kader van de toen ontwakende spontaanheidsmythe. We gebruiken de term dus zo weinig mogelijk.

Veiligheidsmaatregelen

Het is onwaarschijnlijk hoe gemakkelijk men de Gedragsstuurgewoonte (GSG) tot een krachtige persoonlijkheidstrek kan ontwikkelen. Doch het is aangewezen om enerzijds een reeks hulpmiddelen aan te wenden, en anderzijds een reeks voorzorgen te voorzien.

Hulpmiddelen 

Hoewel de indruk kan gewekt worden dat de GSG kan ingaan tegen de kracht van het Onbewuste, is dit niet het geval. Hoewel het aankweken van een krachtige gewoonte natuurlijk veel onbewuste kracht ontketent, is het toch nuttig om zowel tijdens de aanleerperiode van de GSG en ook nog lang daarna het Ongewuste te mobiliseren om de GSG te komen ondersteunen. De volgende vaardigheden dragen daartoe bij.

1. Autosuggestie

Deze methode berust op het fenomeen, dat men bepaalde gedragingen en emotionele reacties kan programmeren in zijn geest. (zie ook Zelfmotivatie, 6555). De kans dat zij gerealiseerd worden, wat ook de toevallige stemming weze die men vlak ervoor heeft, vergroot enorm. Autosuggestie is heel concreet naar bepaalde gedragingen gericht.

2. Diepe Mentale Rust

Diepe Mentale Rust (DMR) is moderne vorm van de aloude, bijzonder effectieve Transcendente Meditatie. Deze techniek, die in 6552 meer in detail besproken wordt, is in feite een geconcentreerde vorm van emotionele recuperatie, zoals die natuurlijkerwijze tijdens de dromen in de slaap plaats grijpt. Daardoor verbetert de alertheid, de basisstemming,  de emotionele veerkracht, de creativiteit, dus alle fenomenen die door een afglijden van de basisstemming naar irritatie en depressie in het gedrang komen, en het psychisch realisatievermogen gevoelig aantasten.

3. Positieve mentale druk

De kracht van mentale druk vanuit de omgeving is bijzonder sterk, omdat zovele van onze instincten nood hebben aan erkenning door de omgeving. Doch waar dit in natuurlijke omstandigheden meestal een negatieve factor is, die ons afremt in onze gewilde groeiprocessen, kan deze druk ook positief aangewend worden.

Een goede toepassing hiervan is het stimulatorschap. Hierbij spreekt de persoon die groeit naar autonomie af met een vertrouwenspersoon uit zijn omgeving, om hem getuige te maken van de eigen bewuste groeiprojecten. Dit kan iemand uit zelfde trainingsgroep zijn, vroeger vaak een geestelijke leider (hoewel deze mode spijtig genoeg verdwenen is), of een vriend. De eigen partner is niet zo aangewezen, aangezien dit gemakkelijk tot spanningen en conflicten kan leiden.

Voorzorgsmaatregelen

Deze zijn vooral aangewezen omdat, vaak in het begin, de GSG wat onhandig uitgebouw wordt, d.w.z. nogal simplistisch qua storende factoren, tijdsinschatting en behoeften-evenwicht.

1. Ontdekken en aanpakken van de storende factoren

Tegen het einde van de geprogrammeerde dag, of ten laatste de dag erop, noteert men in zijn agenda de afwijkingen, d.w.z. de reële tijdstippen die afwijken van de voorziene, en zo mogelijk ook de waarschijnlijke oorzaken hiervan. Bij de verdere programmering tracht men hier dan in toenemende mate rekening mee te houden, of initiatieven te nemen om ze in d etoekomst te vermijden.

2. Inhaalmomenten

Vermits het risico niet denkbeeldig is dat men de benodigde tijden, vooral in den beginne, verkeerd inschat, maar anderzijds een "stalen wilskracht" ontwikkelt om desondanks het eigen programma te volgen en zich door tijdsgebrek ("overprogrammering") niet toe te laten om van dit programma af te wijken, riskeert men zwaar onder stress te komen of sommige dongen niet te kunnen afwerken. De voorzichtigheidsmaatregel hierbij is dat men nooit de gehele tijd volprogrammeert, maar per dag, of enkele uren per week inlooptijd voorziet, om onafgewerkte programmapunten toch nog af te werken, zodat men zijn programma uiteindelijk niet wegens tijdsgebrek moet opgeven.

3. Freewheelmomenten

Bij iemand die zeer wilskrachtig het eigen opgelegde programma volgt, is het risico reëel dat hij alleen rekening houdt met de behoeften die aanwezig zijn in zijn bewuste, maar een reeks reële behoeften, gaande van rust, speels wegdromen, TV of internet zappen, seksualiteit, "niksen", onderschat of zelfs over het hoofd ziet. In de gebruikelijke, "spontane" wereld wordt dit gecompenseerd door slechte programma's, of door vlot afwijken van de voornemens "als men eens geen goesting heeft". Met een streng gevolgd dagprogramma bestaat deze ongestructureerde compensatie (te) weinig, en riskeert men af te gaan op een uitputtingsdepressie of andere emotionele symptomen. Daarom moet men, ongeveer een halve dag per week, een "freewheelmoment" voorzien, waarbij men helemaal niet plant, maar volledig spontaan op het ogenblik zelf doet waar men zin in heeft. Niet enkel werkt zulks als compensatie, maar is het daarenboven zeer leerrijk m de eigen verdrongen behoeften op het spoor te komen. Naarmate men deze beter leert kennen kan men ze dan bewust inbouwen in het ontworpen programma.