6000-6999
Sites per thema:
psy0 algemeen
psy1 systemen
psy2 denken
psy3 brein
psy4 individu
psy50 diagnostiek
psy54 behandeling
psy6 optimaal
psy7 groepen
psy8 suboptimaal
psy9 optimaal

6880 Tweestoelenmethode


Werken met de innerlijke criticus:
Microtheorie van een procestaak (Gestalt)
Kritische Weerstand

Integratie door Kris Roose (cursief)
Vrij naar Nele Stinckens (recht)

Integratieve Inleiding

In de Gestalt-therapie tracht men meer en meer de bewuste en onderbewuste gedachtegang van de cliënt te beschrijven, en gebruikt daartoe tal van modellen, die verwijzen naar bepaalde nuttige of gevaarlijke strevingen voor de eigen besluitvorming. Anders dan in dpsychoanalyse wordt niet te veel ingegaan op onbewuste en verdrongen gedachtegangen die dit denkproces komen beïnvloeden. De modellen moeten gemakkelijk herkenbaar en ook voor de cliënt hanteerbaar blijven.

Deze modellen worden gehanteerd door de therapeuten, onderling en voor zichzelf, en worden ook soms aan de cliënt aangeboden als een soort psycho-educatie, uiteraard zoveel mogelijk ervaringsgebonden, "experiëntieel", en niet als een soort les in psychologie.

Eén van die instanties is de "innerlijke criticus" (IC), die zich als een weerstand verzet tegen groei en inzichten die tot groei zouden kunnen leiden. In het Gestaltmodel wordt hij gezien als een soort "stem", die door sommige cliënten zelfs als dusdanig wordt waargenomen, maar die in het integratieve model niet méér is dan een reeks associaties die zich telkens weer manifesteren als de gedachtegang te bedreigend wordt voor het Zelfbeeld. Hoewel wij in het integratieve model noch het ziektemodel accepteren, noch de autonomie van bepaalde gedachtegangen of complexen, is de studie van het fenomeen van deze gedachtegang en de manier om ermee om te gaan, inspirerend voor elke therapeut.

Gestalt-inleiding

Het begrip ‘innerlijke criticus’ werd door Gendlin (1981, 1986) geïntroduceerd in het cliëntgericht- experiëntiële gedachtegoed. Het staat symbool voor de strenge, innerlijke normerende stem waarmee mensen zichzelf blokkeren. Het begrip is ondertussen opgenomen in het cliëntgerichte vocabularium; elke cliëntgerichte therapeut weet wat ermee bedoeld wordt of waar het voor staat.

In deze bijdrage pleit ik voor een meer nauwkeurige definitie van de problematiek van de innerlijke criticus. Het gevaar bestaat dat de innerlijke criticus ten onrechte wordt gelijk gesteld met het normatieve, het geweten of de gezonde superegofunctie. De criticus is echter geen structurerend onderdeel van het menselijk functioneren: hij motiveert de persoon niet om zijn gedrag te veranderen in morele of constructieve zin, maar hij predisponeert hem tot zelfbeperkend en –vernietigend gedrag (Firestone, 1997). In die zin kan de criticus worden opgevat als een processtoring die interfereert met het organismisch belevingsproces van de persoon (Gendlin, 1996). Hij is met andere woorden de ongezonde ‘uitschieter’ van een in wezen gezond proces.

De kern van deze processtoring situeert zich in de verstarde gewetensfunctie. Deze is niet verankerd in de organismische beleving en is daardoor niet langer ‘in proces’. Dit impliceert dat de wijze waarop men de wereld, de anderen en zichzelf beoordeelt, een statisch, ongenuanceerd en generaliserend karakter krijgt. Vaak presenteert de innerlijke criticus zich in de vorm van een strenge normerende stem, maar ook tal van andere verschijningsvormen zijn mogelijk. Om al deze verschijningsvormen te compileren tot één overkoepelende problematiek, is een brede omschrijving van het begrip innerlijke criticus vereist. We ontlenen deze aan Firestone (1997): “een goed geïntegreerd systeem van kritische en negatieve gedachten en attitudes ten aanzien van het Zelf, dat werd opgedrongen van buitenaf en afgesneden is van de organismische belevingen en lichamelijke gewaarwordingen van de persoon” (p. 139).

De innerlijke criticus vormt een wezenlijk kenmerk van verscheidene ziektebeelden (o.m. depressieve stoornis, eetstoornis, obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis) en laat zijn sporen na in de therapie. Volgens Firestone (1997) is de innerlijke criticus in sterke mate verantwoordelijk voor de weerstand in therapie. De cliënt klampt zich op een hardnekkige manier vast aan de veiligheid van zijn innerlijke criticus waarmee hij zijn innerlijke wereld volledig onder controle denkt te hebben, net zoals dat het geval is voor andere rigide structuren. Wanneer aan de vertrouwde zelfschema’s wordt getornd, zal de cliënt er alles aan doen om deze intact te houden. Dit is het geval wanneer de therapeut de zelfschema’s van de cliënt ter discussie stelt. Maar ook meer globale ervaringen van succes, welslagen en groei worden geweerd omdat ze de vertrouwde zelfschema’s dreigen aan te tasten.

In de bestaande psychotherapieliteratuur zijn weinig systematische gegevens terug te vinden over de manier waarop de innerlijke criticus zich precies manifesteert in de concrete psychotherapiesituatie en over de wijze waarop de therapeut hiermee kan omgaan. Daarom heb ik een specifieke microtheorie geconstrueerd waarin het werken met de innerlijke criticus wordt geëxpliciteerd. Deze microtheorie biedt niet alleen een gedetailleerde en gedifferentieerde kijk op de problematiek van de innerlijke criticus; ze geeft ook concrete handvatten voor de klinische praktijk (Stinckens, 2001; Stinckens & Leijssen, 1999).

Eerst zal de microtheorie in haar geheel worden voorgesteld. Vervolgens worden de afzonderlijke componenten meer systematisch uitgewerkt: 1. de proceskenmerken die typerend worden geacht voor de innerlijke criticus, 2. het veranderingsproces dat zich dient te voltrekken om de criticus op een constructieve manier te laten evolueren en 3. de therapeutaanpak waarmee de criticus bewerkt kan worden. Voor het beschrijven van het veranderingsproces en de therapeutaanpak baseer ik me vrijwel uitsluitend op de cliëntgericht-experiëntiële literatuur. Voor wat de proceskenmerken betreft ga ik ‘oriëntatie-overschrijdend’ te werk, omdat de procesdiagnostiek van de innerlijke criticus in de cliëntgericht-experiëntiële literatuur niet grondig is uitgewerkt. De theoretische inzichten zullen

1 Zal in het najaar 2008 verschijnen in het Handboek Gesprekstherapie onder redactie van Lietaer, Vanaerschot, Takens & Snijders.

doorspekt worden met concrete therapie-excerpten om ze toepasbaar te maken voor de dagelijkse klinische praktijk.

1. Microtheorie voor het werken met de innerlijke criticus

De microtheorie, die is weergegeven in Schema 1, bestaat uit drie componenten. Het processignaal geeft aan dat de problematiek van de innerlijke criticus zich aandient bij de cliënt. Diverse procesaspecten kunnen hierbij worden onderscheiden (zie verder). Elk van de procesaspecten kan in min of meerdere mate aanwezig zijn en de configuratie ervan bepaalt de specifieke ‘gedaante’ waarmee de innerlijke criticus opduikt in therapie.

In het cliëntproces worden verschillende veranderingspaden onderscheiden die ertoe leiden dat de innerlijke criticus evolueert tot een meer adaptief zelfaspect dat op een coherente manier deel uitmaakt van het flexibele en dynamische Zelfproces. Deze paden dienen niet allemaal bewandeld te worden. Afhankelijk van de aard en de intensiteit van de innerlijke criticus zullen bepaalde paden meer aangewezen zijn dan andere.

De therapeutaanpak, tenslotte, faciliteert het doorlopen van dit veranderingsproces. Twee belangrijke aspecten worden hierin onderscheiden, hoewel deze in de praktijk moeilijk te scheiden zijn: de relationele en de taakgerichte aspecten. Het relationele klimaat vormt het fundament waarop de interpersoonlijke ervaringen geënt zijn en het fungeert als medium voor corrigerende interpersoonlijke ervaringen. De taakgerichte aspecten vertegenwoordigen de strategieën die de therapeut hanteert om de cliënt te helpen de verschillende veranderingspaden te doorlopen. Deze strategieën helpen eveneens de werkalliantie te verstevigen.

IC = Innerlijke Criticus


2. Het processignaal: kenmerken van de innerlijke criticus

2.1. Klinische indrukken

Diverse experiëntiële auteurs hebben bepaalde aspecten beschreven die kenmerkend zijn voor de wijze waarop de innerlijke criticus zich in therapie manifesteert (Gendlin, 1996; Hinterkopf, 1998; Leijssen, 1995; Müller, 1995). Zij richten zich vooral op de procesaspecten of de karakteristieke wijze waarop de innerlijke criticus het belevingsproces verstoort. Zij zijn van mening dat het destructieve karakter niet zozeer voortvloeit uit de inhoud die de innerlijke criticus brengt, maar uit de manier waarop de innerlijke criticus deze inhoud vertolkt. De volgende proceskenmerken worden door de verschillende auteurs naar voren geschoven.

NIET GEWORTELD IN DE BELEVING

De innerlijke criticus is niet geworteld in het eigen belevingsspoor, maar overstemt de innerlijke beleving door tegen de cliënt te spreken in plaats van vanuit. Veel cliënten hebben het over een scherpe, gemene, onvriendelijke ‘stem’ of ‘instantie’ die repetitief dezelfde oude eisen opdreunt en vernietigende oordelen uitstort.

ONGENUANCEERD

De innerlijke criticus heeft geen oog voor nuances en laat geen uitzonderingen op de regel toe. Zijn aanvallen zijn voorspelbaar, simplistisch en generaliserend; hij spreekt in termen als ‘altijd’, ‘iedereen’, ‘niemand’. Hij richt zich bij voorkeur op het verleden of de toekomst: hij doet de cliënt schuldig voelen over iets dat in het verleden is misgelopen en dat niet meer ongedaan te maken is; of hij maakt hem bang over iets wat in de toekomst te gebeuren staat en waar hij nog geen controle over heeft. Deze ongenuanceerde, ‘gespierde’ taal geeft de innerlijke criticus een schijn van onaantastbaarheid.

NIET SITUATIESPECIFIEK

De aanvallen van de criticus worden automatisch geactiveerd, ongeacht de omstandigheden. Ze worden niet uitgelokt door bepaalde fouten of tekorten. De criticus komt te pas en te onpas opdagen en houdt de cliënt vast in rigide en repetitieve patronen die niet passend zijn voor de huidige situatie.

GEEN MORELE INSTANTIE

Op het eerste zicht lijkt het alsof de innerlijke criticus een gezonde morele instantie vertegenwoordigt, maar dit is niet het geval. Door de aanvallen van de criticus wordt de persoon allesbehalve gestimuleerd om zijn gedrag te veranderen in constructieve zin; de criticus blokkeert juist die processen die bijdragen tot het ontwikkelen van waarden, idealen, realistische zelfopvattingen en openheid naar anderen toe.

DISFUNCTIONEEL

De innerlijke criticus zorgt ervoor dat de cliënt zich slechter gaat voelen. Hij houdt hem beneden zijn mogelijkheden en remt hem af. Of hij zet de cliënt voortdurend onder druk en belet hem ten volle te leven. Het effect is vooral ontmoediging, angst, ongenoegen, depressiviteit en blokkering. Dit wordt ook zichtbaar in een gespannen gelaat, gekruiste armen en benen, een hoge ademhaling en een verkrampte lichaamshouding.

Door deze proceskenmerken is de innerlijke criticus duidelijk te onderscheiden van de uitingsvormen van de innerlijke belevingsstroom. Schema 2 is geïnspireerd op Hinterkopf (1998) en zet de kenmerken van de innerlijke criticus in reliëf tegenover de kenmerken van de ‘stem’ van de innerlijke beleving.

Schema 2. Proceskenmerken van de innerlijke criticus versus de ‘stem’ van de innerlijke beleving


2.2. Een meer gesystematiseerde en integratieve visie

Deze voornamelijk klinische indrukken van de cliëntgericht-experiëntiële auteurs werpen een licht op de problematiek van de innerlijke criticus, maar ze getuigen nog niet van een gesystematiseerde en onderbouwde theorievorming. Vandaar dat ik voor de verdere uitbouw van mijn microtheorie gebruik maak van inzichten van andere auteurs. Het gaat hier om auteurs die niet zozeer tot een bepaalde therapie-oriëntatie behoren, omdat ze zich in een meer integratieve richting begeven. Deze auteurs hebben de problematiek van de innerlijke criticus – of bepaalde aspecten ervan – in extenso onder de loep genomen. Door hun inzichten te synthetiseren, wordt recht gedaan aan de complexiteit van de innerlijke criticus. Er wordt licht geworpen op de verscheidenheid van manifestaties van de innerlijke criticus in concrete situaties en bij diverse cliëntproblematieken.

In navolging van Rugel (1995) worden de kenmerken van de innerlijke criticus gegroepeerd in vijf overkoepelende categorieën:1. een familiale achtergrond van verwerping, restrictie en veronacht- zaming; 2. een kritische en negatieve zelfattitude; 3. problemen bij de informatieverwerking; 4. zelfbeschermende mechanismen; 5. interpersoonlijke moeilijkheden.

2.2.1. Een familiale achtergrond van verwerping, restrictie en veronachtzaming

De ontstaansdynamiek van de innerlijke criticus blijkt erg complex te zijn.
De meeste auteurs gaan ervan uit dat de innerlijke criticus zijn oorsprong vindt in een ouder-kind- relatie waarin de ouders kritisch, intrusief, controlerend en veeleisend waren. Men percipieert en beoordeelt zichzelf op een gelijkaardig kritische en veroordelende manier als de ouders destijds hebben gedaan. De innerlijke criticus is met andere woorden de geïntrojecteerde kritische ouderfiguur (Bergner, 1995; Blatt, 1995; Rugel, 1995; Stone & Stone, 1993). Ook het uitblijven van bevestiging of ontkenning door de ouders installeert een negatieve, kritische instantie in het zelf: men kan nooit iets goed doen voor zichzelf, man kan zichzelf nooit complimenteren (Rugel, 1995). Volgens Young (1994) is het vooral de voortdurende, persisterende invloed van deze opvoedingspatronen – eerder dan geïsoleerde traumatische gebeurtenissen – die ertoe bijdragen dat het kind zichzelf op een gelijkaardige, negatieve manier gaat bejegenen. Wanneer men herhaaldelijk de boodschap krijgt dat men niet deugt of niet voldoet, zal men dit voor waar aannemen en zichzelf beschouwen als ‘waardeloos’, ‘slecht’ of ‘nooit goed genoeg’.

Naast openlijke of meer subtiele kritiek van de ouders wijst Firestone (1997) ook op andere opvoedingspatronen die aan de oorsprong kunnen liggen van de innerlijke criticus. Het betreft hier, meer algemeen, patronen waarbij het kind op een negatieve manier wordt bejegend door zijn belangrijkste opvoedingsfiguren: gebrek aan interesse voor de leefwereld van het kind, onvoldoende sensitiviteit voor zijn noden en behoeften, emotionele of lichamelijke deprivatie, verwaarlozing en mishandeling. Ook overdreven permissiviteit of inconsistentie in de manier van opvoeden kunnen leiden tot een kritische of negatieve zelfattitude bij het kind. Tenslotte kan de zelfontplooiing ook op een meer indirecte manier worden bemoeilijkt, doordat het de negatieve karaktertrekken (bijvoorbeeld een rigide, veeleisende en controlerende houding) of de onaangepaste defensiemechanismen (zoals zichzelf volledig wegcijferen) van de ouders imiteert. De manier waarop de ouders met zichzelf omgaan, wordt in deze gevallen door het kind overgenomen.

Het gegeven dat de innerlijke criticus doorgaans moeilijk losgelaten kan worden, toont echter aan dat niet louter introjectie van negatieve opvoedingspatronen aan de oorsprong ervan ligt.De innerlijke criticus blijkt in het verleden vaak functioneel te zijn geweest; hij heeft in het verleden een primitieve beschermingsfunctie vervuld. De innerlijke criticus heeft de belangrijke functie gehad om het kwetsbare kind te helpen en te beschermen of om ondraaglijke gevoelens in toom te houden (Leijssen, 1995; Stone & Stone, 1993; Weiser Cornell, 2005). Dit wordt nader uitgewerkt door Firestone (1994). In situaties van fysiek en emotioneel misbruik, zo stelt hij, neemt het kind de kenmerken van de machtige, bekritiserende of bestraffende ouder over, in een wanhopige poging om te ontsnappen aan de overweldigende angst en psychische pijn. Het incorporeert de destructieve houding van de ouder(s) in de vorm van kritische en negatieve zelfopvattingen. Op deze manier verschaft het zichzelf de illusie van veiligheid en controle en wordt de angst in min of meerdere mate bezworen. De keerzijde is echter dat het dit blijft doen, ook wanneer het niet meer nodig blijkt.

2.2.2. Een kritische en negatieve zelfattitude


Deze vroeg in het leven ontwikkelde kritische en negatieve zelfopvattingen zullen een prominent deel uitmaken van het latere zelfconcept en de kern vormen van hoe men zichzelf evalueert en beoordeelt. Young (1994) lanceert de term ‘vroege onaangepaste zelfschema’s’ om deze kernopvattingen over het Zelf te omschrijven. Het gaat om extreem stabiele en duurzame opvattingen over de eigen persoon, die eenmaal ontwikkeld tijdens de kinderjaren, zich in het latere leven versterken en in belangrijke mate disfunctioneel zijn: ze hebben een destructieve invloed op het psychische welbevinden en gaan gepaard met allerhande negatieve emoties: stress, depressiviteit, moedeloosheid, wanhoop, onmacht.

2.2.3. Informatieverwerkingsstoornissen

De vroege onaangepaste zelfschema’s functioneren als een soort filter bij het selecteren en verwerken van informatie. Hierdoor wordt slechts beperkte informatie verwerkt en dit gebeurt op een automatische manier. De aandacht zal bij voorkeur uitgaan naar informatie die de zelfschema’s bevestigt, terwijl informatie die de zelfschema’s tegenspreekt, zal worden geminimaliseerd of ontkend. Door deze beperkingen in de informatieverwerking wordt een vicieuze cirkel bestendigd met een steeds toenemende verstarring van de zelfschema’s tot gevolg. Pacht (1984) heeft het over een ‘no- win scenario’ waarmee hij verwijst naar de inherente onmogelijkheid om succes te ervaren en een positief zelfbeeld op te bouwen.

Verscheidene auteurs (Blatt, 1995; Rugel, 1995; Sorotzkin, 1985) wijzen op specifieke stoornissen in de informatieverwerking die typerend zijn voor mensen met een kritische en negatieve zelfattitude: negatieve gebeurtenissen op zichzelf betrekken, overgeneraliseren, selectief abstraheren en dichotoom denken – zichzelf, de anderen en de wereld percipiëren op een gepolariseerde manier in ‘zwart-wit’, ‘altijd-nooit’, ‘alles-niets’. Deze informatieverwerkingsstoornissen manifesteren zich bij voorkeur wanneer aan de onderliggende schema’s wordt getornd. Informatie wordt vervormd teneinde de zelfschema’s intact te houden.

Kim komt in therapie omdat ze er niet in slaagt om de zelfdoding van haar zus te verwerken. Ze voelt zich verantwoordelijk voor de dood van haar zus, ze is ervan overtuigd dat ze tekort is geschoten.
“Iets in mij zegt altijd maar hoe slecht ik ben... zo van ‘je moet nu niet doen alsof je verdrietig bent, want eigenlijk komt het je wel goed uit, nu hoef je je examens niet te maken’... Ik probeer dan wel tegen mezelf te zeggen dat ik móest stoppen omdat het niet meer ging, maar dat stemmetje noemt dat ‘mezelf iets wijsmaken’’. Dat zegt ‘je moet het nu niet verbloemen, je bent gewoon zwak geweest en je bent gestopt omdat je niet meer verder wilde gaan en omdat je lui bent en aandacht wou’’

2.2.4. Zelfbeschermende mechanismen

Volgens Rugel (1995) ligt het in de menselijke aard om zichzelf te wapenen tegen negatieve emoties en het gevoel van eigenwaarde te beschermen. Dit leidt vaak, direct of indirect, tot zelfbeperkend of zelfvernietigend gedrag.

Sommigen trachten de onaangepaste zelfschema’s of de pijn die ermee gepaard gaat, krampachtig uit de weg te gaan. Allerhande vermijdingsstrategieën worden hierbij gehanteerd. Het blokkeren van gedachten of beelden die de schema’s zouden kunnen oproepen is een actieve vorm van vermijding (Young, 1994). Ook meer onbewuste vluchtmanoeuvres zoals dissociatie, depersonalisatie en een preoccupatie met de eigen fantasiewereld worden gebruikt om te ontsnappen aan de pijn die door de vroege onaangepaste zelfschema’s wordt opgeroepen (Firestone, 1997). Andere vluchtmanoeuvres zijn: lichamelijke verslavingen (alcohol- en drugverslaving, boulemie, overmatig masturberen) en obsessionele gedragingen ( televisie-, gokverslaving, seksuele escapades, koopdrang, enz.) (Young, 1994); zij dienen als ‘pijnstillers’ om de confrontatie met de pijnlijke zelfschema’s uit de weg te gaan.

Anderen zullen de vermeende tekortkomingen waarvan hun zelfbeeld doordrongen is, trachten te compenseren. Zij leggen zichzelf een ijzeren discipline op, ze hanteren een strakke zelfcontrole, ze laten niets aan het toeval over, ze houden zich aan een strikte planning en zijn overdreven behoedzaam (Rugel, 1995; Young, 1994). Een andere manier om de eigen tekorten te compenseren, is door deze te camoufleren en status en erkenning af te dwingen. Bluffen, imponeren met resultaten en overpresteren zijn enkele voorbeelden hiervan (Young, 1994). Ook door cognitieve vervormingen

tracht men de negatieve zelfschema’s te maskeren en zichzelf krampachtig overeind te houden. In feite gaat het hier om stoornissen in de informatieverwerking die tegengesteld zijn aan deze welke besproken werden in vorige subparagraaf: men zet de eigen verdiensten in de verf, men weigert de negatieve eigenschappen van zichzelf onder ogen te zien, men geeft anderen de schuld van de eigen tekorten en men tracht zijn gevoel van eigenwaarde op te krikken door zichzelf te vergelijken met minder succesvolle en bewonderenswaardige anderen (Rugel, 1995).

Ben is in therapie omdat hij zich op professioneel vlak wenst te heroriënteren. Hij heeft het gevoel ‘nog niets bereikt te hebben’ en ‘nog nergens te staan’. Hij tracht te imponeren met prestaties en resultaten om het idee van onvoldoende te presteren, te verhullen. Hij zegt: “ik ben iemand die met veel bluf iets kan poneren en soms durf ik dan nogal eens te overdrijven... Als ik iets vijf keer gedaan heb, durf ik gerust zeggen dat ik daar vijf jaar ervaring mee heb om mijn dingen meer glans te geven”. In dit verband gebruikt hij het beeld van een roekeloze stuntpiloot – een symbool dat hem werd aangereikt in één van zijn dromen. Hij karakteriseert de stuntpiloot als volgt: ’t Is risico nemen, ’t is lef en ’t is ook heel opgeblazen. ’t Is een hoge vlucht proberen te nemen, maar dat is niet onderbouwd door iets authentieks. Het is eigenlijk om aandacht te krijgen, om mezelf te poneren, om een plek te krijgen”.

2.2.5. Interpersoonlijke problemen

Ook op interpersoonlijk vlak laat de innerlijke criticus zijn sporen na. Dit komt tot uiting in een afhankelijke relationele positie, waarbij men zich voortdurend op anderen verlaat voor steun, bevestiging en goedkeuring (Rugel, 1995). Men anticipeert op verwerping en men is overgevoelig voor kritiek (Arieti & Bemporad, 1978; Blatt, 1995; Pacht, 1984). Stone en Stone (1993) stellen dat de innerlijke criticus intieme gelijkwaardige relaties saboteert, doordat men bij anderen voortdurend op zoek is naar goedkeuring en bevestiging. Om die bevestiging te verzekeren, durft men geen uitdrukking te geven aan eigen gevoelens, behoeften en verlangens. Men gedraagt zich overaangepast, zoals men denkt dat de andere het graag heeft, en men is nooit ‘congruent’ of ‘authentiek’ in relatie tot anderen. Ook neemt men zelden of nooit initiatief in relaties (Van Kessel, 1999).

An heeft het gevoel niet te kunnen kiezen en niet te weten wie zij is en wat zij wil. Zij probeert anderen ertoe te bewegen voor haar beslissingen te nemen en de zorg voor haar op zich te nemen. Hetzelfde gebeurt in therapie: An heeft het gevoel dat iets haar belemmert om in therapie te beginnen spreken. Ze vindt het lastig dat het initiatief van haar moet komen, ze zou liever willen dat de therapeut het onderwerp bepaalt. Ze is bang dat ze dom en belachelijk zal overkomen met wat zij gaat zeggen.

Sommigen kiezen voor een totaal andere interpersoonlijke opstelling. Uit angst om te ontgoochelen of tegen te vallen, isoleren zij zich en vermijden zij iedere vorm van diepgaand contact of intimiteit. Of zij plaatsen een eenzijdige klemtoon op onafhankelijkheid en zelfredzaamheid (Firestone, 1997; Rugel, 1995; Young, 1994).
Tenslotte zijn er sommigen die hun minderwaardigheidsgevoelens compenseren door zich dominant op te stellen, agressief te reageren en anderen te bekritiseren om zichzelf superieur te kunnen voelen (Young, 1999). De interne criticus slaat met andere woorden om in een externe criticus (Stone & Stone, 1993). De interpersoonlijke conflicten die zich hierbij onvermijdelijk opdringen, worden eveneens op een zelfbeschermende manier gehanteerd: men reageert beschuldigend, aanvallend en minachtend en men is niet in staat op een realistische manier naar de eigen tekorten te kijken (Rugel, 1995). Dit doet de conflicten steeds verder oplaaien, waardoor men uiteindelijk opnieuw ‘de volle laag krijgt’ waar men als kind zo onder geleden heeft.

Koens relationele leven is een puinhoop. Hij voelt zich minderwaardig ten aanzien van anderen en hij tracht deze minderwaardigheidsgevoelens het hoofd te bieden door bij anderen waardering en erkenning af te dwingen, vaak op een agressieve manier. In de woorden van Koen: “Ik ga van anderen waardering eísen, zo van ‘geef mij asjeblieft waardering, anders klop ik erop’ ”.

2.3. Een taxonomie van verschillende types innerlijke criticus

Uit deze inventarisatie van proceskenmerken valt af te leiden dat de innerlijke criticus zich manifesteert op verschillende manieren. Elk van bovengenoemde proceskenmerken kan in min of meerdere mate aanwezig zijn en de configuratie van proceskenmerken bepaalt de specifieke gedaante waarmee de innerlijke criticus opduikt in therapie. In de recente literatuur wordt door verschillende auteurs een onderscheid gemaakt tussen verschillende types innerlijke criticus, zowel op grond van etiologische kenmerken (Firestone, 1994; Sorotzkin, 1985) als op grond van descriptieve kenmerken (Bergner, 1995; Stone & Stone, 1993; Young, 1996). Door de verschillende bijdragen van deze auteurs te synthetiseren, hebben wij een taxonomie gedistilleerd waarin diverse verschijningsvormen van de innerlijke criticus worden onderscheiden (Stinckens, 2000). Deze taxonomie omvat zes types innerlijke criticus, waar de volgende omschrijvingen aan werden

toegekend (cfr. Schema
bestraffende/beschuldigende
onderdanige/verwaarlozende
dominerende/compenserende criticus. De eerste drie types zijn gemakkelijk te herkennen voor de therapeut, omdat de cliënt zelf uitdrukking geeft aan zijn negatieve, kritische, veeleisende innerlijke stem. De innerlijke criticus kan zich echter ook uiten op een meer onrechtstreekse manier die zich gemakkelijk onttrekt aan de opmerkingsgeest van de therapeut. De onderdanige/verwaarlozende criticus, de afstandelijke/vermijdende criticus en de dominerende/compenserende criticus zijn variaties van een dergelijke ‘verborgen criticus’.

Schema 3. Taxonomie van types innerlijke criticus

3): 1. criticus; criticus;

de degraderende/bekritiserende 3. de veeleisende/controlerende 5. de afstandelijke/vermijdende

criticus; criticus; criticus;

2. de 4. de 5. de

 

 

 

 

T AXONOMIE

 

 

 

 

 

OMSCHRIJVING

 

 

 

 

Degraderende/ bekritiserende criticus

 

Men dicht zichzelf voortdurend negatieve eigenschappen toe en men brandmerkt zichzelf als ‘nietsnut’, ‘sukkelaar’, ‘narcist’,... Dit kristalliseert zich uiteindelijk in een rigide-kritisch en –negatief zelfbeeld: men voelt zich onvolkomen, nietig, incompetent, waardeloos, onbemind, fragiel, zwak, niet beminnenswaardig, vol zelftwijfel,...

 

 

 

 

Bestraffende/ beschuldigende criticus

 

 

 

 

Men meent dat men scherpe kritiek of straf verdient. Men is beschuldigend, bestraffend en beledigend naar zichzelf toe. Men valt zichzelf aan op een onrechtvaardige manier, zonder enig mededogen. Men slaagt er niet in zichzelf te vergeven voor dingen die in het verleden zijn misgelopen.

 

 

 

Veeleisende/ controlerende criticus

 

 

 

 

Men houdt zichzelf onbereikbare normen en idealen voor. Men meent dat de ‘enige juiste manier’ er in bestaat perfect te zijn, te presteren op een heel hoog niveau, alles in orde te houden, te streven naar een hoge status, nederig te zijn, andermans behoeften te laten primeren op de eigen behoeften, efficiënt te zijn en geen tijd te verliezen. Men meent dat het verkeerd is van gevoelens uit te drukken of spontaan te zijn.

 

 

 

 

Onderdanige/ verwaarlozende criticus

 

Men handelt op een passieve, onderdanige, zelfdepreciërende en bevestigingzoekende manier, uit angst voor conflict en verwerping. Men verdraagt misbruik en een slechte behandeling. Men drukt geen gezonde behoeftes of verlangens uit naar anderen, men kiest mensen of men gedraagt zich op zo’n manier dat men zichzelf naar beneden haalt. Men anticipeert op kritiek en verwerping.

 

 

 

 

Afstandelijke/ vermijdende criticus

 

 

Men snijdt zijn gevoelens en behoeftes af. Men is emotioneel onthecht van andere mensen en men verwerpt hun hulp. Men voelt zich teruggetrokken, afgeleid niet verbonden, gedepersonaliseerd, leeg en verveeld. Men zoekt naar afleiding, troost, kalmering of stimulatie op een obsessionele manier. Men heeft een cynische, afstandelijke of pessimistische houding naar mensen of activiteiten.

 

 

 

 

Dominerende/ compenserende criticus

 

 

 

Men voelt zich en gedraagt zich grandioos, agressief, dominant, competitief, arrogant, hautain, neerbuigend, neerhalend, overgecontroleerd, controlerend, rebels, manipulatief, uitbuitend, zoekend naar aandacht, zoekend naar status.

 

3. Het veranderingsproces: de evolutie van de innerlijke criticus

Het centrale veranderingsmechanisme in het werken met de innerlijke criticus is het transformeren van deze processtoring tot een meer adaptief zelfaspect dat op een coherente manier deel uitmaakt van het flexibele en dynamische Zelfproces. Bij het transformeren van de innerlijke criticus kunnen verschillende therapeutische paden worden bewandeld. In de hedendaagse cliëntgericht-experiëntiële literatuur kunnen drie veranderingsprocessen worden onderscheiden die leiden tot een vloeiende en complexe Zelforganisatie: het opheffen van de belevingsblokkade, het herstellen van de interacties tussen de verschillende zelfaspecten en het ontwikkelen van een actief en integrerend Ik.

3.1. Opheffen van belevingsblokkade

Het opheffen van de belevingsblokkade houdt in dat de vrije instroom van belevingsinformatie wordt hersteld. De cliënt komt terug in contact met de rijkdom van zijn/haar innerlijke ervaringswereld die voorheen door de criticus aan het zicht werd onttrokken. De innerlijke criticus zorgde ervoor dat slechts beperkte informatie wordt gesymboliseerd op een repetitieve manier; zelfervaringen werden systematisch in kritische of negatieve zin geïnterpreteerd. Door het contact met het organismisch belevingsproces te herstellen, wordt de complexe gevoelde betekenis van een situatie opnieuw toegankelijk voor het bewustzijn.

Een eerste essentiële stap in dit veranderingsproces is dat men zich bewust wordt van de innerlijke criticus. De cliënt moet leren differentiëren tussen de onvriendelijke, eisende, neerhalende stem van de criticus en de zachtere en prillere stem van het organismisch beleven. Vervolgens moet de cliënt zich leren losmaken van de innerlijke criticus. Dit betekent dat men tot het besef moet komen dat de negatieve gedachten en gevoelens slechts een deel van de eigen persoon vormen waarmee men niet geheel samenvalt. Men is niet louter en alleen de negatieve gedachten; naast het bekritiserend stuk bestaat er ook een ander stuk dat zich bekritiseerd voelt. Volgens Hinterkopf (1998) impliceert dit dat de cliënt een sterkere positie verwerft dan zijn/haar criticus, van waaruit hij/zij zelf kan beslissen welke boodschappen ter harte worden genomen en welke niet. De cliënt herontdekt op die manier een gevoel van autonomie en zelfbeschikking waardoor de criticus van zijn oorspronkelijke macht wordt beroofd.

3.2. Herstellen van de interacties tussen de zelfaspecten

Auteurs die een dialectisch-constructivistisch standpunt innemen (Greenberg & Pascual-Leone, 1995, 1997; Elliott, Watson, Goldman, & Greenberg, 2004; Honos-Webb & Stiles, 1998; Mearns & Thorne, 2000) concentreren zich in hoofdzaak op de kortsluitingen in het Zelfproces die door de innerlijke criticus worden veroorzaakt. Het Zelf is gefragmenteerd en tussen de verschillende zelfaspecten zijn de wederzijds verrijkende interacties verstoord of verbroken. Hierdoor stagneren de verschillende zelfaspecten in hun ontwikkeling en degenereren ze tot rigide, repetitieve structuren (‘top dog’ en ‘underdog’; ‘accepted (dominant) voice’ en ‘unwanted (problematic) voice’). Een constructief veranderingsproces bestaat in dit geval uit het herstellen van de interacties tussen de verschillende zelfaspecten, opdat het Zelf zijn flexibele en dynamische karakter zou herwinnen. Dit proces kan worden opgesplitst in drie belangrijke stadia: ervaren van oppositie en conflict, assimileren en differentiëren, en accommoderen en integreren.

In het eerste stadium wordt de cliënt zich bewust van het interne conflict tussen de twee zelfaspecten. De cliënt ervaart steeds scherper hoe de geïntrojecteerde normen, eisen en verplichtingen haaks staan op de organismische behoeften en gevoelens. Ofschoon de organismische stem vaak heel levendig begint door te klinken, blijft de geïntrojecteerde stem toch overheersen; de cliënt zit stevig verankerd in de positie van de innerlijke criticus.

In het tweede stadium verschuift de cliënt van een positie waarin de innerlijke criticus overheerst naar een positie waarin beide zelfaspecten aan het woord kunnen komen; beide zelfaspecten worden met andere woorden geassimileerd in de structuur van het Zelf, waardoor ze zich verder kunnen differentiëren. De innerlijke criticus wordt meer specifiek: eisen, normen en verwachtingen worden meer gedetailleerd en meer geënt op concrete situaties. Het organismische deel van het Zelf ontvouwt zich van initiële reactieve affecten (hopeloosheid, kwaadheid, verzet,...) naar meer complexe belevingen (verdriet, eenzaamheid,...) en onderliggende noden en behoeften.

Doordat beide zelfaspecten geassimileerd, uitgediept en toegeëigend zijn, ontstaat de mogelijkheid een nieuwe synthese te realiseren waarin beide zelfaspecten geïntegreerd kunnen worden. De innerlijke criticus verzacht zijn normen, eisen en verwachtingen door zich open te stellen voor de noden en behoeften van het organismische Zelf. Ook het organismische Zelf is meer vatbaar voor onderhandeling en zal, indien nodig, rekening houden met de eisen en zorgen van de criticus. Door de interactie en de accommodatie van beide zelfaspecten wordt het vloeiend, dynamisch en coherent karakter van het Zelf hersteld.

3.3. Ontwikkelen van een actief en integrerend Ik

Enkele auteurs, vooral diegenen die een systemische visie op het Zelf huldigen (Bouwkamp, 1999; Keil, 1996; Mearns & Thorne, 2000) plaatsen de teloorgang van het actieve en coherente Ik centraal. Er is niet langer een centrale, integrerende instantie die voortdurend bezig is de ervaringen van de verschillende zelfaspecten te integreren tot een betekenisvol en coherent geheel. De innerlijke criticus heeft het leiderschap overgenomen en overheerst het gehele Zelfsysteem. Hij doet dit op een krampachtige, autoritaire en rigide manier.

Een constructieve evolutie impliceert in dit geval dat er een wijziging plaatsvindt van de interne machtsstructuur binnen het Zelf. Een actief en integrerend Ik, dat de macht van de criticus overneemt en vanuit een metapositie het Zelfproces coördineert, dient tot ontwikkeling te worden gebracht. Dit veranderingsproces wordt niet ontleed in opeenvolgende veranderingsstappen. Er wordt enkel gepleit voor een zeer geleidelijk verloop, waarbij de criticus niet meteen van zijn macht wordt beroofd. De criticus heeft namelijk een beschermende functie – hij is verantwoordelijk voor de overleving en de handhaving van het gehele Zelfsysteem – en kan dus niet zomaar terzijde worden geschoven. Eerst moet de criticus vertrouwen krijgen in het nieuwe leiderschap van het Ik, alvorens hij zijn beschermende functie durft op te geven.

4. De therapeutaanpak: werken met de innerlijke criticus

In vorige paragraaf werd besproken welke veranderingsstappen dienen plaats te grijpen opdat de innerlijke criticus op een constructieve manier zou evolueren. In deze paragraaf wordt nagegaan welke benadering in de cliëntgericht-experiëntiële therapie wordt voorgesteld om deze veranderingsstappen te faciliteren. Zoals eerder aangegeven worden twee belangrijke componenten onderscheiden: de taakgerichte en de relationele aspecten.

4.1 Taakgerichte aspecten

Rogers’ manier van werken met de innerlijke criticus bleef beperkt tot impliciete klinische kennis die niet geëxpliciteerd werd in een specifieke microtheorie. In zijn geschriften (Rogers, 1942; 1959) treffen we hooguit enkele ‘richtingaanwijzers’ aan die de houdingsvariabelen specificeren naar de problematiek van de innerlijke criticus. Vooral het ten volle erkennen en aanvaarden van cliënts kritische en negatieve zelfattitude blijkt door Rogers sterk te worden bepleit. Uit een eerste, vluchtige analyse van enkele van zijn transcriptfragmenten (Stinckens, 2001; Stinckens, Lietaer & Leijssen, 2002b) valt echter af te leiden dat Rogers niet steeds doet wat hij beweert te doen; zijn ‘in vivo strategie’ blijkt ook soms gericht op het negeren of buiten spel zetten van de innerlijke criticus. Zijn interactieaanbod is dus meer gedifferentieerd dan hetgeen zijn therapietheorie laat vermoeden. Hij lijkt zijn strategie intuïtief af te stemmen op het type cliënt: wanneer de cliënts criticus ‘in proces’ is en gemakkelijk kan worden losgelaten, ‘kiest’ Rogers ervoor om deze processtoring gewoon terzijde te schuiven en de aandacht te richten naar de ontluikende positieve zelfbeleving. Echter, wanneer de cliënt aangeeft de criticus nog niet te willen opgeven, verandert hij van strategie en stemt hij zich af op het spoor van de innerlijke criticus. De vraag welke processignalen hierbij bepalend zijn, blijft evenwel onbeantwoord; Rogers’ differentiële procesdiagnostiek is immers altijd beperkt gebleven tot impliciete klinische kennis.

Sinds de jaren tachtig is er in de cliëntgericht-experiëntiële therapie een beweging ontstaan die pleit voor meer differentiatie in de psychotherapeutische benadering. Therapie dient niet enkel gericht te zijn op het stimuleren van de zelfaanvaarding en het zelfvertrouwen, maar moet ook helpen om meer specifieke problemen van zelforganisatie te helpen oplossen. Vanuit dit idee werden een hele reeks ‘therapeutische taken’ beschreven en vertaald naar specifieke microprocessen. Met betrekking tot de problematiek van de innerlijke criticus werden verschillende procesvoorstellen geformuleerd, vooral vanuit de experiëntiële richting. Deze vertrekken allen vanuit eenzelfde overtuiging: de innerlijke criticus moet op een actieve manier benaderd worden, omdat hij niet vanuit zichzelf zal veranderen of verdwijnen. Leijssen (1995) stelt in dit verband dat het niet-directief omgaan met de innerlijke criticus maakt dat de cliënt steeds op dezelfde wijze zal blijven vastlopen; de therapeut dient actief tussenbeide te komen bij het bewerken van de processtoring.
De strategieën die gehanteerd worden om de innerlijke criticus op een meer actieve manier te bewerken, blijken heel verscheiden te zijn. Op grond van de literatuur en van een analyse van therapiefragmenten heb ik vijf categorieën gedestilleerd: 1. Identificeren van de innerlijke criticus; 2. Op afstand plaatsen van de innerlijke criticus; 3. Zich afstemmen op de innerlijke criticus; 4. Verschuiven van de aandacht naar de organismische beleving; 5. Integreren van de verschillende aspecten van het Zelf. In wat volgt komen de verschillende strategieën meer uitvoerig aan bod.

4.1.1. Identificeren van de innerlijke criticus


Volgens Leijssen (1995) moet de therapeut allereerst zelf in staat zijn het opdagen van de innerlijke criticus te herkennen; pas daarna kan zij de cliënt helpen haar innerlijke criticus te identificeren. Zij moet dus weet hebben van de verscheidenheid aan proceskenmerken waarmee de innerlijke criticus zich manifesteert. Deze procesdiagnostische kennis kan de therapeut vervolgens aanwenden om de cliënt in contact te brengen met haar innerlijke criticus. Vaak is de cliënt zich niet ten volle bewust van de aanwezigheid van deze innerlijke kritische en normerende stem; zij voelt zich gewoon gespannen, moedeloos, wanhopig, depressief,... De taak van de therapeut bestaat er dan uit om de innerlijke criticus te diagnosticeren: zij moet de cliënt duidelijk maken hoe zij bij zichzelf deze gevoelens induceert door zichzelf op de vingers te tikken, naar beneden te halen, te veroordelen of te verwerpen (Müller, 1995).

Hierbij is het van belang niet enkel aandacht te hebben voor de inhoud van wat de innerlijke criticus brengt, maar ook voor de manier waarop dit gebeurt (Elliott et al., 2004, hoofdstuk 11; Hinterkopf, 1998; Leijssen, 1995). Door de cliënt te wijzen op de specifieke manier waarop de criticus hem belaagt, leert zij differentiëren tussen de eisende, deprimerende, ongenuanceerde en generaliserende spreekstijl van de criticus en de zachte, vriendelijke, opbeurende en persoonlijke spreekstijl van het experiëntiële Zelf. Dit helpt de cliënt zich bewust te worden van het procesblokkerende karakter van haar innerlijke criticus.

Elliott et al. (2004) trachten dit bewustzijn nog te intensifiëren door de cliënt te laten spreken vanuit haar innerlijke criticus. Hiervoor maken zij gebruik van de twee-stoelen techniek die in de Gestalttherapie werd ontwikkeld. Aan de cliënt wordt gevraagd om achtereenvolgens op twee verschillende stoelen plaats te nemen: de kritische stoel en de experiëntiële stoel. Wanneer de cliënt zich in de experiëntiële stoel bevindt, wordt haar geïnstrueerd om ‘ik-boodschappen’ te geven; dit om de beleving te evoceren. Wanneer de cliënt op de kritische stoel plaatsneemt, wordt haar gevraagd om ‘jij-boodschappen’ te geven; dit om het beschuldigend en aanvallend karakter van de criticus meer te beklemtonen. In plaats van de cliënt te laten vertellen dat zij zichzelf aanvalt en beschuldigt, wordt zij dus uitgenodigd om dit effectief te gaan doen – “jij bent een nietsnut”, “je brengt er niets van terecht”. Door deze uitspraken te herhalen en zelfs te overdrijven, wordt de cliënt zich scherper bewust van de manier waarop haar innerlijke criticus te werk gaat en met welke affectieve intensiteit dit gepaard gaat.

Lisa voelt zich geblokkeerd. Ze durft niet zichzelf te zijn, uit angst door anderen verworpen te worden. T stelt voor dat stuk, dat haar blokkeert, aan het woord te laten.

T: Zou je eens iets willen proberen? Zou je hier willen komen zitten en dat stuk eens aan het woord te laten dat jou blokkeert? Er is iets dat jou blokkeert, dat klopt he?”

C: Ja


T: Kan jij mij eens tonen hoe je jezelf blokkeert? Je houdt haar (wijst naar andere stoel) tegen op een of andere manier? Je zegt dingen tegen haar die haar blokkeren?” 

C: Hmhm.

T: Blokkeer haar. Verhinder haar om zichzelf te zijn.


C: Euhm... Zeg niet van die dingen waardoor andere mensen jou gaan uitlachen. Als je dat zegt, zullen anderen jou belachelijk maken.


T: Vertel haar wat er zal gebeuren als ze zichzelf is.


C: Euhm. Ze gaan grapjes over jou maken. Ze gaan je beschouwen als een idioot.

Ook andere hedendaagse cliëntgerichte therapeuten leggen doorgaans niet enkel de vinger op cliënts zelfkritiek als dusdanig, maar ook op de emotionele lading die eraan vasthangt; dit gebeurt door de kritische stem scherper, intenser of levendiger te formuleren. Op die manier wordt de cliënt op een meer nadrukkelijke en directe manier in contact gebracht met haar innerlijke, kritische normerende stem. Een voorbeeld kan dit verduidelijken.

Ria geeft aan dat ze geen zin meer heeft om nog te investeren in relaties. De therapeut nodigt haar uit dit verder te exploreren.


C1: Ik vraag me af of het nog de moeite waard is (stilte). Ik krijg de indruk dat het allemaal zoveel energie gekost heeft en nooit iets oplevert. Het is precies alsof het niet meer gaat.


T1: Ik merk dat ik daar toch erg aan blijf hangen, aan wat je daar over jezelf zegt, zo van “ik ben niet de moeite waard om nog in te investeren”. Zo voel ik het op mij afkomen als ik het je hoor zeggen.


C2: Ja (lacht). Ik denk dat dat ook zo is momenteel. Dat is zo’n immense leegte die daarvan uitgaat, dat ik denk van “ik kan ook niemand anders leren kennen, want die vindt dezelfde leegte, die valt gewoon in dezelfde put”. Zo van “waarom zou iemand interesse willen tonen voor niets?”

T2: Hoe kan iemand mij de moeite waard vinden, als ik mezelf niet de moeite waard vind? 

4.1.2. Afstand nemen van de innerlijke criticus

Wanneer de innerlijke criticus geïdentificeerd is, moet de therapeut een boodschap of instructie geven waarmee de cliënt geholpen wordt om zich los te maken van de innerlijke criticus; zij moet de cliënt helpen zich te ‘desidentificeren’ van haar kritische en negatieve zelfgedachten. Volgens Leijssen (1995) kan een eenvoudige herformulering door de therapeut soms reeds het accent verleggen waardoor de cliënt niet meer geheel samenvalt met haar innerlijke criticus. Wanneer de cliënt bijvoorbeeld zegt “ik ben het niet waard dat ik leef” kan de therapeut dit als volgt reflecteren: “iets in jou vindt dat je het niet waard bent om te leven”. Op die manier wordt een werkbare afstand geïnstalleerd ten aanzien van de innerlijke criticus (McGuire, 1984a, 1984b).

De therapeut kan de desidentificatie ook concretiseren door de cliënt te vragen de criticus op fantasieniveau vóór zich te plaatsen. Volgens Leijssen (1995) is dit voor de meeste cliënten zeer helpend – “ze zien letterlijk iets of iemand voor zich waardoor het geleidelijk meer betekenis voor hen krijgt” (p. 164). In feite beoogt de twee-stoelen techniek eenzelfde effect; door de criticus in een afzonderlijke stoel te laten plaats nemen, wordt een fysieke afstand gecreëerd waardoor de cliënt geholpen wordt zich van haar criticus te distantiëren (Elliott et al, 2004).

In een volgende stap kan de therapeut trachten de processtoring terzijde te schuiven. Dit kan gebeuren op een impliciete manier, door de boodschappen van de criticus te negeren of te veronachtzamen (Müller, 1995). Volgens Gendlin (1996) heeft discussiëren of redetwisten met de criticus geen zin; de beste manier om ermee om te gaan is door er geen aandacht aan te besteden. De therapeut kan deze omgangsvorm faciliteren door telkens opnieuw contact te maken met datgene wat de cliënt voelde vlak vóór de criticus tot de aanval overging (Gendlin, 1996). Een andere impliciete manier om de criticus terzijde te schuiven, is door de gezonde tegenpool te accentueren. White (1988) raadt aan om de ontluikende constructieve zelfaspecten, in het bijzonder het verlangen naar zelfaanvaarding en zelfactualisatie, extra in de verf te zetten als ‘tegengif’ voor de storende impact van de innerlijke criticus. Deze empathische selectiviteit ten gunste van de positieve, groeibevorderende ervaringselementen werd ook vastgesteld bij Rogers’ aanpak van de innerlijke criticus (Stinckens & Lietaer, 2001). Relatief veel van zijn tussenkomsten bleken gericht op het accentueren van de constructieve tegenkrachten van de innerlijke criticus.

Jill is heel ontevreden over zichzelf. Ze haalt zichzelf voortdurend naar beneden. Ze beschrijft zichzelf als haar ergste vijand.
C: Ik ben mijn eigen ergste vijand.
T: Je spreekt een heel zwaar vonnis uit over jezelf.

C: Ja. Dat is zo. Ik ben geen al te goeie vriend voor mezelf.


T: Nee, je bent geen al te goeie vriend voor jezelf. Mhm. En het zou wellicht ook niet bij je opkomen om een vriend aan te doen wat je jezelf aandoet.


C: Da’s waar. Ik zou het verschrikkelijk vinden als ik iemand zou behandelen zoals ik mezelf behandel.


T: Hmhm. Maar jezelf zie je gewoon niet graag.


C: Wel, er is een deel in mij dat ik wel graag zie.


T: OK. In bepaalde opzichten houd je wel van jezelf.

Belangrijk is echter dat het subtiel terzijde schuiven van de innerlijke criticus gedoseerd gebeurt en dat de groeibevorderende tegenkrachten pas naar voren worden gehaald op het moment dat ze zich ‘at the edge of awareness’ bevinden. Wanneer men de criticus van de cliënt te bruusk ter discussie stelt of uitdaagt, loopt men het risico dat dit een enorme weerstand in de cliënt activeert waarbij zij op een hardnekkige manier probeert te bewijzen dat haar zelfschema’s waar zijn.

Dit blijkt ondermeer in het werken met kindertekeningen. Het is belangrijk dat de therapeut gewoon belangstelling toont voor het communicatiekanaal dat het kind kiest en zeker niet te veel lof uitdrukt over de tekening. Als het kind erg kritisch is over het eigen kunnen, kunnen de lofbetuigingen van de therapeut heel ontregelend werken en het uiten van de innerlijke beleving belemmeren. Het kind onderbreekt het tekenen of begint plots te krabbelen, om te ‘bewijzen’ dat het níet mooi kan tekenen. Helpend is wanneer de therapeut een houding aanneemt van naïeve observator en bij het samen beschrijven van de tekeningen eens een blunder maakt (T: “hier zie ik precies een hond; C: nee, joh, da’s een schaap!”). Op die manier kan het kind zich meester voelen over zijn tekening en zijn beleving die hierin uitgedrukt wordt. Indirect krijgt het kind ook de boodschap dat blunderen niet erg is.

De criticus kan ook op een meer expliciete manier buiten spel worden gezet. De therapeut kan bijvoorbeeld de cliënt de instructie geven om haar criticus erbuiten te laten of weg te sturen. Volgens Leijssen (1995) wordt deze instructie door cliënten met een ‘lichtgewicht criticus’ doorgaans positief onthaald. De therapeut kan ook vanuit zijn eigen persoon een levendige tegenboodschap geven die de criticus ontkracht. Humor blijkt hierbij vaak een krachtig instrument te zijn (Gendlin, 1996).

Een cliënt heeft bijvoorbeeld al een kwartier gesproken zonder dat haar criticus op een bekritiserende en vernietigende wijze tussen beide is gekomen. Wanneer zij zichzelf vervolgens naar beneden begint te halen, antwoordt de therapeut: “ik begon me al ongerust te maken, ik had al een kwartier niets meer van hem (haar innerlijke criticus) gehoord.

4.1.3 Zich afstemmen op de innerlijke criticus

In plaats van de innerlijke criticus buiten spel te zetten, wordt soms voor een radicaal andere aanpak geopteerd: de criticus in de schijnwerpers plaatsen. Vooral wanneer de criticus een beschermende functie heeft, lijkt deze aanpak het meest aangewezen. Leijssen (1995) zegt in dit verband: “wanneer het gaat om een deel dat in het leven werd geroepen om het kwetsbare kind te beschermen, dan moet de therapeut veel omzichtiger en zorgzamer te werk gaan” (p. 165). Met de hulp van de therapeut moet de cliënt allereerst leren ontdekken hoe de criticus in haar leven is gekomen en welke functie hij vervult of vervuld heeft. Pas daarna kan worden onderzocht of zijn functie aan een andere, meer gezonde en procesbevorderende instantie zou kunnen worden overgedragen.

Het exploreren van de criticus kan worden bevorderd door de cliënt uit te nodigen haar criticus te visualiseren (Leijssen, 1995; Müller, 1995). De cliënt wordt gevraagd om te beschrijven wat zij voor zich ziet wanneer zij de criticus op enige afstand zet; of zij wordt gevraagd om haar criticus in een bepaalde figuur of personage te gieten. Soms wordt de criticus gevisualiseerd als een reële ouderfiguur, maar vaak zijn het denkbeeldige figuren die symbool staan voor de functie die de criticus behartigt – schoolmeesters, politiemannen, soldaten, directrices, oude tantes,... Ook nonverbale expressievormen kunnen worden aangewend om de criticus beter in beeld te krijgen: de cliënt wordt uitgenodigd haar criticus te tekenen, in klei uit te drukken of met heel haar lichaam uit te beelden (Leijssen, 1995, p. 36).

Ria verwacht voortdurend door anderen geëvalueerd en beoordeeld te worden; ze kan moeilijk toelaten dat anderen haar graag mogen. De therapeute nodigt Ria uit haar gevoel van wantrouwen naar andere mensen toe, verder te exploreren.

C: Het heeft te maken met van die kleinigheden die misgaan en die dan in mijn hoofd blijven spoken.

T: Alsof je jezelf nogal vastzet op kleinigheden die misgaan?


C: Ja. En ik kan ook de kleinigheden van anderen heel goed onthouden. Ik heb daarvoor bijna een onfeilbaar geheugen.


T: Die stem in jou of dat deel binnenin jou dat eigenlijk zo gefixeerd is op de kleine dingen die misgaan, heeft dat een vorm of zou je dat een naam kunnen geven of heb je daar een figuur voor die daarbij past?


C: (stilte) Een Engelse, puriteinse oude vrijster, zoiets... die naast de pastoor woont en het dorp

beoordeelt. Die zelf niets kan misdoen, omdat ze elke dag in de kerk zit en bij de pastoor komt. Zoiets ja...

In geval van de twee-stoelen techniek wordt de criticus heel expliciet in de schijnwerpers geplaatst, door hem een eigen stoel te geven en uitvoerig aan het woord te laten. Zodra de cliënt in contact is met haar kritische stem (cfr. 4.1.1), zal de therapeut haar helpen doorstoten tot de kern van haar zelfkritiek – de waarden en normen waarop de kritiek gebaseerd is. Ze zal haar leren differentiëren tussen de waarden en normen die van anderen zijn overgenomen en die welke zij beschouwt als ‘de hare’ – waarden en normen waar zij werkelijk achter kan staan. Ook zal de therapeut trachten te achterhalen wat de criticus met zijn kritiek wenst te bereiken. Vaak komt op dit punt de onderliggende kwetsbaarheid van de cliënt aan de oppervlakte (Elliott et al., 2004).

Ben vertelt over zijn angst om belachelijk gevonden te worden, een angst waar hij zich hardnekkig tegen probeert in te dekken. In therapie komt hij tot de ontdekking dat zijn innerlijke criticus de functie had van hem te beschermen tegen aanvallen en kritiek van buitenaf.

C: Als klein gastje had ik iets heel alerts, zo van “oppassen dat je niet belachelijk gemaakt gaat worden!”. Als ik iets mis deed of als ik bijvoorbeeld naar het schoolbord moest komen, was daar een panische angst van “oei, ik hoop dat het lukt of dat het werkt, want anders gaan anderen mij belachelijk vinden”.

T: Het moment van vastzitten is op zich al heel pijnlijk en beangstigend, maar als anderen daar dan ook nog naar kijken en je belachelijk vinden, dat is precies verschrikkelijk erg.

C: Ja. Er kwam ook altijd kritiek of vernedering. D’r was nooit iemand die mij eens gewoon vastgepakt heeft en gezegd heeft van “oh, dat is zo erg niet”. Daardoor kan ik het mezelf ook niet toestaan van het niet te weten of te twijfelen... Automatisch heb ik dan zoiets van “ik zal het niet goed doen en ik zal belachelijk gemaakt worden”.

Door aandacht te schenken aan de gevoelens en bekommernissen van de criticus en deze te valoriseren, zal hij minder de behoefte voelen zich voortdurend te manifesteren; hij zal zich gezien en gerespecteerd voelen en zich geleidelijk meer gaan ontspannen (Katz, 1981). Weiser Cornell pleit in haar boek, ‘The radical acceptance of everything’ (2005), voor een uitgesproken vriendelijke en accepterende houding naar de innerlijke criticus toe. Door de criticus niet langer te veroordelen, te marginaliseren of weg te duwen, maar hem in tegenstelling met welwillende aandacht te bejegenen, kan een transformatie op gang worden gebracht. De criticus voelt zich uitgenodigd om zijn onderliggende emoties te ontvouwen (waar hij bang voor is, wat hij niet wil, waarvoor hij wil behoeden) en kan daardoor in beweging komen: van een groeibelemmerende structuur naar een groeigeoriënteerd proces waarbij de klemtoon komt te liggen op wat de cliënt nodig heeft en waar zij naartoe wil.

4.1.4. Aandacht verschuiven naar de organismische beleving

Wanneer de innerlijke criticus als processtoring voldoende geïdentificeerd is (4.1.1) en buiten spel is gezet (4.1.2), of nader is geëxploreerd (4.1.3), kan het contact worden hersteld met de organismische beleving. De therapeut onderzoekt hoe het voor de cliënt voelt om in de greep te zitten van zo’n streng, veeleisend en bekritiserend karakter. Hierdoor helpt zij de cliënt om in contact te komen met de belevingen die door de criticus onderdrukt zijn (Leijssen, 1995). Vaak gaat het om heel pijnlijke gevoelens – intense gevoelens van verdriet, kwaadheid, onzekerheid, wanhoop,... - die geëvoceerd werden als reactie op de kritische en negatieve stem van de innerlijke criticus (de zogenaamde reactieve affecten) en vervolgens werden afgeweerd omdat ze niet toelaatbaar waren voor de criticus. De therapeut dient de cliënt te helpen om bij deze gevoelens stil te staan en te zoeken naar accurate symboliseringen. Op die manier ontstaan nieuwe betekenissen en kunnen ook andere belevingen worden aangeboord. De therapeut brengt met andere woorden een transformatieproces op gang waarbij reactieve affecten worden vertaald in organismische behoeften en verlangens; hierdoor helpt de therapeut de cliënt in contact te komen met wat zij werkelijk nodig heeft. Bij de twee-stoelen techniek wordt dit proces gefaciliteerd door het experiëntiële Zelf in een aparte stoel te plaatsen en te scheiden van de kritische pool ( Elliott et al. , 2004).

In geval van traumatische ervaringen heeft de innerlijke criticus vaak een beschermende rol vervuld; hij werd in het leven geroepen om het kwetsbare kind te helpen en te beschermen of om ondraaglijke gevoelens in toom te houden. Aansluiting maken met de onderliggende belevingen van de criticus – zijn angst en zijn bekommernissen – zorgt eveneens voor een verschuiving. Door de gevoelens van de criticus te erkennen en te valoriseren, zal hij minder de behoefte voelen zich voortdurend te manifesteren; hij zal zich gezien en gerespecteerd voelen en zich geleidelijk gaan ontspannen (Katz, 1981).

4.1.5. Integreren van de verschillende aspecten van het Zelf

Deze strategie is, in tegenstelling tot de voorgaande strategieën, minder goed uitgewerkt. De meeste auteurs richten zich, in hun beschrijving van de therapeutaanpak, vooral op het wegwerken van de processtoring en het heractiveren van het organismisch belevingsproces. Slechts enkele auteurs ( et al. 2004; Leijssen, 1995; Mearns & Thorne, 2000; Honos-Webb & Stiles, 1998) besteden aandacht aan het integreren van de verschillende zelfaspecten en beschrijven hoe de therapeut een ‘samenwerkingsakkoord’ tussen de delen van het Zelf kan bewerkstelligen.

Elliott et al (2004) pleiten voor een onderhandelingsaanpak om de verschillende zelfaspecten te integreren. Het laatste stadium van de twee-stoelen techniek is expliciet gericht op het faciliteren van de integratie tussen de kritische en de experiëntiële pool. Door de cliënt voortdurend te laten wisselen tussen de twee stoelen en elke pool zijn eigen perspectief te laten verwoorden, wordt de onderhandeling tussen beide polen bevorderd. Soms is een expliciete onderhandeling nodig, waarbij elke pool gevraagd wordt hoe hij zich verhoudt tot de positie van de andere pool; soms ontstaat er spontaan een nieuwe integratie. De aandacht van de therapeut gaat in hoofdzaak uit naar de verschuivingen die zich voordoen in de twee posities. Door deze verschuivingen systematisch te

reflecteren, zal de cliënt ervaren hoe beide polen geleidelijk naar elkaar toegroeien en samensmelten tot een enkelvoudig, gedeeld perspectief.

Ook in kinderpsychotherapie wordt gebruik gemaakt van deze techniek. Santen (1991) acht het zinvol om, bij kinderen die gevangen zitten in een innerlijke strijd tussen geïntrojecteerde normen en eigen behoeften en verlangens, deze strijd te laten uitkristalliseren op papier. Aan beide conflicterende stemmen wordt een eigen kolom (ruimte) gegeven, waardoor zij letterlijk bestaansrecht krijgen. Het kind wordt uitgenodigd om de stemmen op papier op elkaar te laten reageren. Soms wordt ook gevraagd om even uit het conflict te stappen en op afstand te kijken naar hetgeen aan beide zijden geschreven is. Wat dan naar boven komt, kan door het kind in een centraal venster tussen beide kolommen geschreven worden.

Wigle is 15 jaar en hij spijbelt vaak. Hoewel hij zich steeds opnieuw voorneemt om naar school te gaan, komt het er niet van. Met hulp van de therapeut visualiseert hij zijn innerlijk conflict als een strijd tussen twee tegengestelde krachten, die hij benoemt als ‘de kwaadaardige kracht’ en ‘de herstellende kracht’. Beide krachten worden in een kolom geplaatst en verder uitgewerkt. In de ‘kwaadaardige kolom’ verschijnen gedachten als ‘ik wil niet leren’, ‘ik wil mijn eigen zin doen’ en ‘jammer dat ik de leraar niet meer kan pesten’. In de ‘herstellende kolom’ komen opponerende vermaningen aan bod: ‘ga nou toch naar school’, ‘hier leer je ook niks mee!’,... In het verleden heeft deze kolom bij Wigle gedomineerd: hij plooide zich steevast naar de eisen en verwachtingen van de buitenwereld en hij deed zichzelf hiermee tekort. In feite is in deze kolom de innerlijke criticus aan het woord die hem aanmaant om zich te houden aan de opgelegde regels en verwachtingen. Deze kracht wordt door Wigle aanvankelijk positief geëtiketteerd (‘de herstellende kracht’); hij trekt ook partij voor deze ‘herstellende’ Wigle. Door de krachten met elkaar te laten kibbelen, ontdekt Wigle dat de ‘kwaadaardige kracht’ momenteel als machtiger aanvoelt, en dat hij deze geleidelijk meer als ‘ik’ ervaart en de ‘herstellende’ kracht meer als ‘hij’. Hij komt ook tot het besef dat zijn innerlijke strijd meer een strijd is tegen de buitenwereld: hij wilt zijn eigen goesting doen en niet steeds beantwoorden aan hetgeen de buitenwereld van hem verwacht. Vervolgens komt hij tot het besef dat de kwaadaardige kracht meer een soort van zelfbescherming is: hij wilt zich beschermen tegen zijn oude, vertrouwde interactiestijl van zich te schikken naar de buitenwereld en een façade op te houden. Dit besef zorgt voor opluchting. Het helpt ook om de verwarring in hemzelf weg te krijgen (Santen, 1991, p. 408).

Leijssen (1995) en Katz (1981) houden zich niet bezig met het onderhandelen tussen de zelfaspecten; zij trachten de cliënt te helpen een alternatieve omgangsvorm te ontwikkelen met haar innerlijke criticus. Ze leren de cliënt zien in hoeverre haar criticus wel of niet meer nodig is. Ook helpen zij de cliënt differentiëren wanneer de beschermende functie van de criticus helpend is en wanneer hinderlijk. Op die manier ontsnapt de cliënt uit de greep van haar innerlijke criticus. De criticus wordt teruggedrongen naar een minder dominante positie en kan daardoor beter worden ingepast in het gehele Zelfsysteem.

Dit komt heel treffend tot uitdrukking in het verdere verloop van de therapie met Ria (Lejjssen, 1995, p. 36 )
T: Zou je je kunnen voorstellen dat je die Engelse, puriteinse oude vrijster met verlof stuurt of iets dergelijks. Kan je je iets dergelijks voorstellen?


C: Ze mag weg hoor (lacht).


T: Kijk maar wat je dat doet als je je dat probeert voor te stellen.


C: Ik moet daar eigenlijk wel mee oppassen, vind ik, want ze is lang baas geweest; ze heeft de parochie in mij lang gedomineerd. Dus die zet je niet zomaar aan de kant. Daar gaat een deel van de gemeente mee in opstand komen. Ik denk dat een aantal mensen baat heeft bij zo’n figuur. Maar de meesten zijn beknot hoor!

T: Ja. Wat kan je bij jezelf ergens ervaren van hoe je er baat bij hebt, bij zo’n figuur?


C: Ze beschermt mijn zwakheden, het geen pijn hebben van betrapt te worden in de kleinigheden die misgaan. Als dat wegvalt, ben ik ook kwetsbaar, he!


T: Misschien heb je daar een ander soort bescherming bij nodig. Kan je je een figuur voorstellen die méér helpend is dan die Engelse, puriteinse oude vrijster?

4.2. Relationele aspecten

De taakgerichte aspecten die in vorige paragraaf werden beschreven, zijn steeds verweven met de relationele aspecten. Het relationeel klimaat is de noodzakelijke voedingsbodem van waaruit de taakgerichte aspecten horen te vertrekken. Voorts kan de helpende relatie die de therapeut aanbiedt een alternatief vormen voor de disfunctionele relaties die de cliënt in het verleden heeft gekend en die zij ook nu tendeert voort te zetten.

4.2.1. Noodzakelijke voedingsbodem

Volgens Eliott et al (2004) is de therapeutische relatie cruciaal om verandering te bewerkstelligen bij de cliënt en hoort ze voorrang te krijgen op de taakgerichte tussenkomsten. Onvoorwaardelijke positieve gezindheid, echtheid en empathische afstemming zijn de grondpijlers waarop de taakgerichte interventies geënt moeten zijn. Deze relationele grondhoudingen vormen de interpersoonlijke veiligheid die nodig is om eerdergenoemde strategieën aan te laten slaan. De cliënt moet zich veilig genoeg voelen in de relatie met de therapeut opdat de innerlijke criticus zich kan ontspannen; hij is immers een belangrijke verdediging geweest om de interpersoonlijke veiligheid het hoofd te bieden. Ook de authentieke aanwezigheid van de therapeut is heel belangrijk; de stevigheid van de therapeut is nodig om de scherpe aanvallen van de criticus op te vangen en de overweldigende emoties te ‘containen’ die door de criticus onderdrukt zijn geworden (Leijssen, 1995). Daarnaast bevorderen de relationele grondhoudingen het zelfexploratieproces van de cliënt; ze helpen de cliënt de aandacht naar binnen te richten en zich bewust te worden van zijn onaangepaste zelfschema’s (Elliott et al. , 2004).

Voor sommige cliënten zijn deze relationele grondhoudingen – en de therapeutresponsen die eruit voortvloeien – voldoende om verandering te realiseren; vaak echter is een combinatie van relationele en taakgerichte aspecten nodig om het veranderingsproces te bevorderen (Greenberg, Watson, & Lietaer, 1998). De combinatie zorgt voor een creatief spanningsveld waarbij de therapeut het proces enerzijds stuurt om de criticus te transformeren tot een meer adaptief zelfaspect en de cliënt anderzijds empathisch volgt. Door telkens opnieuw terug te keren naar het spoor van de cliënt, leert de cliënt opnieuw te vertrouwen op de eigen innerlijke autoriteit (Leijssen, 1995).

4.2.2. Medium voor corrigerende interpersoonlijke ervaringen

De relatie met de therapeut fungeert niet enkel als noodzakelijke voedingsbodem, maar werkt ook als een soort curatieve tegenkracht voor de innerlijke criticus. Dit kan gebeuren op een impliciete manier, doordat de cliënt de groeibevorderende, therapeutische attitudes zal introjecteren en op die manier zal komen tot meer zelfempathie en zelfaanvaarding. De helende relatie met de therapeut bevordert bovendien de ontwikkeling van een actief en integrerend Ik dat de interacties in het Zelf op een meer evenwichtige manier coördineert. Door de empathische, aanvaardende en bevestigende reacties van de therapeut kan het Ik worden losgemaakt uit het proces van zelfveroordeling waarin het verloren was geraakt en opnieuw een autonome metapositie verwerven (Bouwkamp, 1999).

De relatie met de therapeut kan echter ook op een meer expliciete manier worden aangewend om de criticus en in het bijzonder de disfunctionele interactiepatronen die eruit voortvloeien, te veranderen. In dit geval zal de interactionele stijl van de cliënt via metacommunicatie worden geëxploreerd en doorgewerkt. Dit is vooral aangewezen wanneer de innerlijke criticus het interpersoonlijk functioneren van de cliënt kleurt (cfr. 2.2.5). In ‘Depressie en interactie’ besteedt Van Kessel (1999) uitgebreid aandacht aan het typische interactieprofiel van de depressieve cliënt. Veel van zijn beschrijvingen sluiten naadloos aan bij de problematiek van de innerlijke criticus. Zo schetst hij hoe de habituele interactiestijl van cliënten met een negatief zelfbeeld geactualiseerd wordt in de hier-en-nu relatie met de therapeut. Hij waarschuwt voor de volgende valkuilen.

Een cliënt met een negatief zelfbeeld zal zelf geen onderwerpen aandragen in therapie. Zij durft zich niet te riskeren en laat het initiatief over aan de therapeut. Zij verlangt dat de therapeut haar helpt en haar problemen oplost, maar zij verwacht tegelijk niet dat ze hierin daadwerkelijk slaagt. Haar hulpvraag luidt aldus: “help mij want ik kan zo niet verder of laat eigenlijk maar, want ik ben toch niet te helpen (Swildens, 1997, p. 90). Ook zal zij de aandacht waar zij zo naar verlangt, niet rechtstreeks vragen – daarvoor voelt zij zich te onbetekenend; zij zal de aandacht van de therapeut opeisen door te klagen en zich als slachtoffer te profileren. Zij kan immers niet accepteren dat zij geaccepteerd wordt; zij kan enkel accepteren dat haar klachten geaccepteerd worden.

Deze tegenstrijdige en indirecte interactie ‘verleidt’ de therapeut vaak tot het innemen van een complementaire positie. De therapeut zal in de rol van omnipotente zorgdrager schieten die het onmogelijke in het vooruitzicht stelt – zij tracht de cliënt ervan te overtuigen dat deze wel degelijk de moeite waard is en dat haar zelfkritiek ongegrond is; zij garandeert de cliënt dat alles weer in orde zal komen. Dit stelt de cliënt hooguit tijdelijk gerust; op termijn is een dergelijke interventie echter contratherapeutisch – het bevestigt de cliënt in haar afhankelijkheid en het sterkt haar in de overtuiging dat zij het zelf niet kan. Bovendien is deze rol van omnipotente zorgdrager een heel ondankbare rol; hoe de therapeut ook haar best doet, zij zal er niet in slagen het negatief zelfbeeld van de cliënt te ontkrachten. Van Kessel noemt het een Sisyfustaak waarbij de therapeut de ene frustratie na de andere te incasseren krijgt. Dit duwt de therapeut in dezelfde negatieve spiraal waarin de cliënt is terecht gekomen: zij heeft het gevoel tekort te schieten en zij gaat zich op termijn even machteloos voelen als de cliënt.

Om het habituele interactiepatroon van de cliënt met een negatief zelfbeeld te doorbreken, wacht de therapeut de zware opdracht van een niet-complementaire reactie aan te bieden waarbij zij aan het appel van de cliënt tracht te verzaken. Men stelt realistische behandelperspectieven in het verschiet in plaats van het onmogelijke te beloven, toont empathie en begrip, zonder erin te blijven hangen, en probeert de cliënt geleidelijk met de tegenstrijdigheden in haar communicatie te confronteren: haar indirecte manier van aandacht vragen, haar geïnhibeerde irritatie en agressie, haar honger naar liefde en bevestiging, maar ook haar onvermogen om deze te ontvangen (van Kessel, 1999).

5. Onderzoek

In onderzoek (Stinckens, 2001) werd de in dit hoofdstuk beschreven microtheorie getoetst aan de concrete psychotherapiepraktijk. Nagegaan werd in welke mate en op welke manier de verschillende ingrediënten van de microtheorie terug te vinden waren in een omvattende en gevarieerde steekproef van therapie-episodes waarin de innerlijke criticus zich manifesteert. Hiertoe werd de problematiek ontrafeld in verschillende procesaspecten en voor elk van deze procesaspecten werd gezocht naar een geschikte kwantitatieve en kwalitatieve meting. De Informatieverwerkingsschaal (Stinckens, Lietaer & Leijssen, 1999), de Zelfattitudeschaal (Stinckens, 2001) en het Categorieënsysteem voor Onaangepaste Zelfschema’s en Disfunctionele Schemagestuurde Processen (Stinckens, 2001) werden geconstrueerd om aspecten van het cliëntproces in kaart te brengen. Het Categorieënsysteem voor Therapeutinterventies (Lietaer, Leijssen, Vanaerschot & Gundrum, 1995) en het Categorieënsysteem voor Therapeutstrategieën bij het bewerken van de innerlijke criticus (Stinckens, 2001; Stinckens, Lietaer & Leijssen, 2004) werden gebruikt om de therapeutaspecten te beoordelen.

Het onderzoek toonde aan dat de totale Gestalt van proceskenmerken de problematiek van de innerlijke criticus het best typeert. De criticus bleek bij de meeste cliënten in verschillende gedaantes tot uiting te komen. Bij elke cliënt troffen we een unieke constellatie aan van proceskenmerken die fluctueerde doorheen een therapie en zelfs doorheen een sessieepisode. Overeenkomstig de specifieke fase in therapie of afhankelijk van bepaalde uitlokkende factoren, bleek deze processtoring op een specifieke manier tot uiting te komen. Dit pleit voor de noodzaak van een differentiële, procesgerichte benadering waarbij de therapeut enerzijds voldoende sensitiviteit aan de dag weet te leggen voor de diversiteit aan proceskenmerken van de innerlijke criticus en waarbij zij anderzijds de nodige flexibiliteit betoont om haar specifieke aanpak hierop af te stemmen.

Deze idee werd ook bekrachtigd vanuit de analyses van de therapeutaanpak. De verschillende strategieën die in de microtheorie werden vooropgesteld, werden alle gebruikt om de innerlijke criticus in beweging te krijgen. Flexibiliteit in de toepassing van deze strategieën bleek bovendien bepalend te zijn voor de mate waarin het cliëntproces gefaciliteerd werd. Meest vruchtbaar bleek die benadering waarbij de therapeut haar aanpak voortdurend wist af te stemmen op de manier waarop de criticus zich vervolgens presenteerde. Wanneer de criticus zich op een vrij hardnekkige en intense manier manifesteerde, bleek een criticusvriendelijke benadering, waarbij aansluiting werd gezocht met de processtoring zelf, meer aangewezen te zijn. Toonde de criticus zich in een mildere gedaante of bleek hij reeds ‘in beweging’ te zijn, dan kon een meer gedurfde aanpak worden geriskeerd waarbij de criticus op afstand werd geplaatst of er contact werd gemaakt met de onderdrukte organismische beleving.

Wat het veranderingsproces betreft, bleken diverse veranderingspaden te worden bewandeld. De keuze voor een welbepaald veranderingspad bleek enerzijds ingegeven te zijn door de achterliggende therapietheorie. Anderzijds werden de aard en de mogelijkheden van veranderingspaden ook bepaald door de specifieke wijze waarop de criticus zich manifesteerde in therapie. Dit pleit opnieuw voor een integratie van veranderingsroutes, waarbij de keuze voor een bepaalde route gefundeerd wordt vanuit een procesdiagnostische kennis over de innerlijke criticus.

De verschillende stadia die door Elliott e.a. (2004) onderscheiden worden bij het twee-stoelen werk, werden in de voorbije dertig jaar door Greenberg en medewerkers uitvoerig onderzocht (Elliott, Greenberg & Lietaer, 2004; Greenberg, Elliott & Lietaer, 1994). Er werd bevestiging gevonden voor het vooropgestelde model en bepaalde stadia werden nader uitgewerkt. Zo leverde het onderzoek ondermeer de suggestie op om een bijkomend stadium toe te voegen, voorafgaand aan het conflictstadium, voor cliënten waarbij de innerlijke criticus op een substantiële manier het contact met de organismische pool blokkeert. Verder stelde men vast dat de verbale zelfexploratie en de paralinguistische stemkwaliteit een hoger ervaringsniveau vertoonden bij het gebruik van de twee- stoelen procedure dan bij het empathisch reflecteren. Ook kwam uit het onderzoek naar voor dat dcliënten meer in voeling kwamen met hun noden en behoeften in sessies waar de innerlijke criticus verzachtte dan in sessies waar de criticus rigide en halsstarrig bleef. Een sterk ‘minachtende’ criticus samen met een gebrek aan veerkracht om daarop te reageren, bleek verband te houden met depressieve kwetsbaarheid.

6. Besluit

In deze bijdrage heb ik besproken hoe de innerlijke criticus een multidimensionale problematiek is die op zeer diverse manieren tot uiting komt: in de vorm van een divergerend conflict waarbij er een strijd woedt tussen twee tegengestelde krachten die de persoon in uiteenlopende richtingen trekken; in de vorm van een negatief zelfbeeld waarbij het gevoel van zelfwaardering en het geloof in de eigen mogelijkheden zijn aangetast; in de vorm van een perfectionistische ingesteldheid waarbij men zichzelf onbereikbare normen en idealen voorhoudt. Ook via meer indirecte verschijningsvormen kan de criticus tot uiting komen: via relationele stoornissen, zoals passief, onderdanig en appellerend gedrag; of via zelfbeschermende mechanismen, zoals vermijdingsstrategieën of compenserende processen. Met mijn microtheorie heb ik geprobeerd recht te doen aan de complexiteit van de innerlijke criticus door een breed palet aan proceskenmerken in kaart te brengen. Het is de totale Gestalt van proceskenmerken die de problematiek van de innerlijke criticus het best typeert.

In de concrete therapiepraktijk blijkt de criticus zich echter niet als een statische Gestalt te presenteren, eerder als een caleidoscopische veelheid van verschijningsvormen. Om de criticus op een adequate manier te diagnosticeren, is het dus van essentieel belang zich niet te fixeren op een vast geheel van proceskenmerken. Men dient voldoende sensitief te zijn voor de steeds wisselende manieren waarop de diverse proceskenmerken telkens opnieuw verschijnen, nu eens ‘op het podium’ dan weer ‘achter de coulissen’.

Flexibiliteit is eveneens geboden voor wat betreft de keuze van therapeutstrategieën: de specifieke therapeutaanpak dient te worden afgestemd op de aard en de intensiteit van de innerlijke criticus. Hinterkopf (1998) waarschuwt voor een uniforme benadering van deze processtoring: “verschillende cliënten behoeven een verschillende aanpak van hun criticus en een zelfde cliënt heeft een verschillende aanpak nodig op verschillende momenten” (p. 42). Dit is ook gebleken uit het onderzoek: meest vruchtbaar bleek die benadering waarbij de therapeut haar aanpak voortdurend wist af te stemmen op de manier waarop de criticus zich op elk moment presenteerde. Vasthouden aan een uniforme benadering van de problematiek, zonder oog te hebben voor de wijze waarop de criticus gaandeweg tot uiting kwam, bleek doorgaans weinig effect te sorteren: het bleek het therapieproces te vertragen of in bepaalde gevallen zelfs contratherapeutisch te werken, vooral bij het intensiveren van de criticus..

Ter afsluiting wil ik benadrukken dat het werken met de criticus vaak ‘hard labeur’ en een proces ‘van lange adem’ is. Het is geen eenvoudige klus met onmiddellijk en gegarandeerd succes. Men mag zich niet laten verblinden door de beschreven veranderingspaden. Vooral wanneer de criticus erg hardnekkig en rigide is, blijkt het veranderingsproces vaak ‘millimeterwerk’ te zijn, waarbij de criticus slechts eventjes naar de achtergrond verdwijnt, om vervolgens in alle hevigheid weer op te duiken. Met mijn microtheorie heb ik gepoogd de praktiserende therapeut enkele bruikbare handvatten aan te reiken in het bewerken van deze processtoring. Ik wil echter de wens uitspreken dat deze microtheorie niet op een technische, eng-protocollaire manier wordt toegepast. Om de beschreven strategieën werkelijk te doen aanslaan, dienen ze steeds geënt te zijn op een authentieke, aanvaardende en empathische relatie die ook ruimte laat voor het spontane, intuïtieve en creatieve reageren.

Aanbevolen lectuur

Een theoretische uitdieping van de problematiek van de innerlijke criticus, gecontrasteerd met de kenmerken van een gezonde normeringsfunctie, is terug te vinden in Stinckens, Lietaer & Leijssen (2002b). Een uitgebreide inventarisatie van de proceskenmerken van de innerlijke criticus, rijkelijk geïllustreerd met praktijkvoorbeelden, is opgenomen in Stinckens (2000). In Young, Klosko & Weishaar (2005) worden diverse onaangepaste zelfschema’s besproken die aan de basis liggen van deze processtoring. Om een idee te krijgen van hoe de innerlijke criticus zich manifesteert bij kinderen, verwijs ik naar Santen (1995). Hierin wordt een casus beschreven van een gedissocieerde adolescent waarbij één van de alters een dwingende en censurerende criticus is. Het concrete werken met de innerlijke criticus komt uitvoerig aan bod in Stinckens, Lietaer & Leijssen (2004). Het artikel biedt een overzicht van hoe cliëntgericht-experiëntiële therapeuten deze processtoring trachten te bewerken. Naast een totaalbeeld wordt een profielschets gepresenteerd per therapeutische suboriëntatie: de rogeriaanse manier van werken, de hedendaagse cliëntgericht-experiëntiële benadering en de Gestalttherapeutische werkwijze. Voor deze laatste benadering, waarbij gewerkt wordt met de twee-stoelen-techniek, verwijs ik naar Goldman (2002) en naar een videodemonstratie van Greenberg (2006). Een criticusvriendelijke benadering, waarbij aansluiting gezocht wordt met de kwetsbaarheid van de criticus, is terug te vinden in Weiser Cornell (2005).

Referenties

Arieti, S. & Bemporad, J.R. (1978). Severe and mild depression: The therapeutic approach. New York: Basic Books.

Bergner, R. M. (1995). Pathological self-criticism: Assessment and treatment. New York: Plenum.
Blatt, S. J. (1995). The destructiveness of perfectionism: Implications for the treatment of depression. American Psychologist, 50(12), 1003-1020.


Bouwkamp, R. (1999). Helen door delen. Experiëntiële interpersoonlijke therapie. Theorie, methodiek, onderzoek. Utrecht: De Tijdstroom.


Elliott, R., Greenberg, L.S. & Lietaer, G. (2004). Research on experiential psychotherapies. In M.J. Lambert (Ed.), Bergin & Garfield’s handbook of psychotherapy and behavior change (pp. 493-539). New York:

Wiley.
Elliott, R., Watson, J.C., Goldman, R., & Greenberg, L.S. (2004). Learning emotion-focused therapy. Washington DC: American Psychological Association.


Firestone, R.W. (1997). Combating destructive thought processes. Voice therapy and separation theory. Thousand Oaks: Sage.


Gendlin, E.T. (1981). Focusing (rev. ed..). New York: Bantam Books.
Gendlin, E.T. (1986). Process ethics and the political question. The Focusing Folio, 5(2), 68-87.


Gendlin, E.T. (1996). A process view of the superego. In Focusing-oriented psychotherapy: A manual of the experiential method (pp. 247-258). New York: Guilford.


Goldman, R. (2002). De tweestoelendialoog voor innerlijk conflict. In R.W. Trijsburg, S. Colijn, E. Collumbien, & G. Lietaer (Red.), Handboek integratieve psychotherapie, (IV 2.11, pp. 1-24). Utrecht: De Tijdstroom.


Greenberg, L.S. (2006). Emotion-focused therapy for depression (Part 1).. Washington, DC: APA Psychotherapy Videotape Series II.

Greenberg, L.S., Elliott, R., & Lietaer, G. (1994). Research on experiential psychotherapies. In A.E. Bergin & S.L. Garfield (Eds.), Handbook of psychotherapy and behavior change (pp. 509-539). New York: Wiley

Greenberg, L.S., & Pascual-Leone, J. (1997). Emotion in the creation of personal meaning. In M. Power & C. Brewin (Eds.), The psychotherapeutic process: A research handbook (pp. 3-20). New York: Guilford.

Greenberg, L.S., Watson, J.C. & Lietaer, G. (1998). Handbook of experiential psychotherapy. New York: Guilford.

Hinterkopf, E. (1998). Focusing and the inner critic. In Integrating spirituality in counseling: A manual for using the experiential focusing method (pp. 41-50). Alexandria, VA: American Counseling Association.

Honos-Webb, L. & Stiles, W.B. (1998). Reformulation of assimilation analysis in terms of voices. Psychotherapy, 35(1), 23-33.

Katz, , R. (1981). Focusing with the “critic”. The Folio. Journal for Focusing and Experiential Psychotherapy, 1(3), 16-17.

Keil, S. (1996). The self as a systemic process of interactions of ‘Inner Persons’. In R. Hutterer, G. Pawlowsky, P. F. Schmid, & R. Stipsits (Eds.), Client-centered and experiential psychotherapy: A paradigm in motion (pp. 53-66). Frankfurt am Main: Peter Lang.

Kessel, W .van (1999). Depressie en interactie. Tijdschrift voor Cliëntgerichte Psychotherapie, 37(4), 296-309 Leijssen, M. (1995). Een innerlijke relatie. In Gids voor gesprekstherapie (pp. 131-195). Utrecht: De Tijdstroom. 

Lietaer, G., Leijssen, M., Vanaerschot, G. & Gundrum, M. (1995). Handleiding bij een categorieënsysteem voor therapeutinterventies. Niet-gepubliceerde brochure. Centrum voor cliëntgerichte therapie en counseling,

K.U. Leuven.
McGuire, M. (1984a). Part I of an excerpt from: “Experiential focusing with severely depressed suicidal clients”.

The Folio. Journal for Focusing and Experiential Psychotherapy, 3(2), 46-59.
McGuire, M. (1984b). Part II of an excerpt from: “Experiential focusing with severely depressed suicidal clients”.

The Folio. Journal for Focusing and Experiential Psychotherapy, 3(3), 104-119.
Mearns, D. & Thorne, B. (2000). Person-centered therapy with ‘Configurations’ of Self. In Person-centered  therapy today. 

New Frontiers in theory and practice (pp. 120-143). London: Sage.
Müller, D. (1995). Dealing with self-criticism: The critic within us and the criticized one. The Folio: Journal for Focusing and Experiential Psychotherapy, 23(3), 151-165.


Pacht, A.R. (1984). Reflection on perfection: American Psychologist, 39, 386-390.


Rogers, C.R. (1942). Counseling and Psychotherapy. Boston: Houghton Mifflin.


Rogers, C.R. (1959). A theory of therapy, personality and interpersonal relationships, as developed in the client-centered framework. In S. Koch (Ed.), Psychology: A study of a science.Vol. 3 (pp.184-256). New York: McGraw-Hill.


Rugel, R.P. (1995). Dealing with the problem of low self-esteem: Common characteristics and treatment in individual, marital/family and group psychotherapy. Springfield: Charles C. Thomas.


Santen, B. (1991). Cliëntgerichte kinderpsychotherapie. In H. Swildens, O. de Haas, G. Lietaer, & R. Van Balen (Red.), Leerboek gesprekstherapie (pp. 395–414). Utrecht: De Tijdstroom.

Santen, B. (1995). Focusing met een gedissocieerde adolescent. Een meervoudige identiteitsstoornis bij een 13-jarig meisje. In G. Lietaer & M. van Kalmthout (Red.), Praktijkboek gesprekstherapie. Psychopathologie en experiëntiële procesbevordering (pp.267-276). Utrecht: De Tijdstroom.

Sorotzkin, B. (1985). The quest for perfection: Avoiding guilt or avoiding shame? Psychotherapy, 22, 564-571. Stinckens, N. (2000). De innerlijke criticus in beeld gebracht: Een typologie van verschijningsvormen. Tijdschrift voor Cliëntgerichte Psychotherapie, 38 (3), 201-215.


Stinckens, N. (2001). Werken met de innerlijke criticus. Gerichte empirische verkenning van een cliëntgericht-experiëntiële microtheorie. Doctoraatsverhandeling, K.U. Leuven.


Stinckens, N., & Leijssen, M. (1999). Werken met de innerlijke criticus vanuit cliëntgericht-experiëntieel perspectief. Illustratie van een micromodel. Tijdschrift voor Psychotherapie, 25 (1), 5-26.


Stinckens, N., Lietaer, G. & Leijssen (1999). Handleiding Informatieverwerkingsschaal. Nederlandstalige herwerking van Toukmanians ‘Level of Client Perceptual Processing’-schaal. Niet-gepubliceerde brochure, Centrum voor cliëntgerichte therapie en counseling, K.U. Leuven.


Stinckens, N., Lietaer, G., & Leijssen, M. (2002a). The inner critic on the move: Analysis of the change process in a case of short-term client-centred/experiential therapy. Counselling and Psychotherapy Research, 2(1), 40-54.


Stinckens, N. & Lietaer, G., & Leijssen, M. (2002b). The valuing process and the inner critic in the classic and current client-centered/experiential literature. Person-centered and Experiential Psychotherapies, 1 (1&2), 41-55.


Stinckens, N., Lietaer, G. & Leijssen, M. (2004). Werken met de innerlijke criticus: Een pleidooi voor een flexibele en procesdirectieve aanpak. Tijdschrift voor Cliëntgerichte Psychotherapie, 42 (3).


Stone, H. & Stone, S. (1993). Embracing your inner critic: Turning self-criticism into a creative asset. San Francisco: Harper Collins Publishers.

~
Swildens, H. (1997). Procesgerichte gesprekstherapie: Inleiding tot een gedifferentieerde toepassing van de cliëntgerichte beginselen bij de behandeling van psychische stoornissen (rev. ed.). Utrecht: De Tijdstroom.

Weiser Cornell, A. (2005). Radical gentleness: The inner critic transforms. In The radical acceptance of everything: Living a focusing life (pp. 105-130). Berkeley: Calluna Press.
White, D. (1988). Taming the critic: The use of imagery with clients who procrastinate. Journal of Mental Imagery, 12, 125-133.


Young, J.E. (1994). Cognitive therapy for personality disorders: A schema-focused approach (2nd ed.) Sarasota FL: Professional Resource Press.


Young, J.E., Klosko, J.S. & Weishaar, M.J. (2005). Schemagerichte therapie. Handboek voor therapeuten. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum

(10.02.13)